logo
titel

Een kleine fout?

Reacties van politie en Justitie

Politiemensen reageren, zo blijkt uit wat aan de werkgroep is gerapporteerd, heel verschillend op een incestaangifte. Het is beslist niet zo, dat: "de politie (...) inmiddels genoeg ervaring heeft om te doorzien wanneer een (incest-)aangifte terecht wordt gedaan." (dr. Nel Drayer, VU, in Vrij Nederland, 23-9-1995)
In enkele gevallen beoordeelde de politie het aangifteverhaal als dermate ongerijmd, dat de aangeefster werd gemaand met aanvullend bewijs te komen.

Indien de politie tot een onderzoek besluit, kan dat verschillende vormen hebben. Wij kennen een geval, waarin eerst voorzichtig en zorgvuldig een buurt- en familieonderzoek werd gehouden, alvorens de ouders voor een gesprek op het bureau uit te nodigen.

In diverse andere gevallen hoorde de politie uitsluitend 'getuigen' (bewust tussen aanhalingstekens gezet), die door 'het slachtoffer' waren aangedragen en die (vrijwel) nimmer stammen uit de beweerde incestperiode en die evenmin de ouders respectievelijk het gezin kennen. In die gevallen volgde op enig moment een aanhouding van de verdachte - door de politie vanaf dat moment als 'dader' betiteld -, en soms van de mededader, meestal de echtgenote. Over die aanhoudingen rapporteren de destreffende ouders in vaak bittere bewoordingen ("Ik ben behandeld als een beest.").

In twee gevallen werd de vader 's ochtends vroeg van zijn bed gehaald door een team gewapende agenten, in de boeien geslagen en (in ťťn geval in pyjama in de stromende regen; die vader was bovendien hartpatiŽnt, zoals zijn vrouw de agenten nog tevergeefs toevoegde) afgevoerd, terwijl de hele straat was afgezet en zoeklichten op hun slaapkamerramen schenen.

Een andere vader werd 's ochtends op weg naar zijn werk van zijn fiets geplukt, terwijl gelijkertijd een andere ploeg zijn nog slapende vrouw arresteerde en geboeid afvoerde. Dit echtpaar heeft 16 dagen vast gezeten.

Een derde vader werd ook van zijn bed gelicht, door twee agenten die in dit geval in burger waren, en gelukkig in een onopvallende auto reden.

De mannelijke agent ging mee naar boven om te zien of hij bij het aankleden niet 'iets' deed (uit het raam springen?), terwijl de vrouwelijke agent beneden bij de echtgenote bleef (om te voorkomen dat de echtelieden met elkaar zouden praten?) en haar probeerde te intimideren door te zeggen: "Mevrouw, wij weten alles."

Een vierde vader werd 'even' opgehaald door twee rechercheurs, hoewel de echtgenote in haar rolstoel eigenlijk niet alleen kon worden gelaten. De agenten zeiden dat hij op z'n laatst die dag om vier uur weer thuis zou zijn. Hij moest drie dagen op het bureau blijven.

De meeste ouders die door de politie zijn verhoord, melden dat die zeer vooringenomen, intimiderend en bot optrad. Misschien is dat 'in de provincie' nog wat meer het geval dan 'in de stad'.

Het 'slachtoffer' - dat wil zeggen: de aangeefster - wordt ook door de politie op haar woord geloofd, terwijl de 'dader' - dat wil zeggen: de verdachte - bij voorbaat schuldig wordt geoordeeld. Aan diens verhaal, of dat van zijn echtgenote, wordt schijnbaar geen tot weinig waarde toegekend.

Wij kunnen ons voorstellen dat sommige ouders zich door dit gedrag, en door de vele uren in de cel met alles wat daaraan vast zit, sterk laten intimideren.

Na het politieonderzoek volgde in de meeste gevallen een gerechtelijk vooronderzoek (GVO), op last van de Officier van Justitie (OvJ) uitgevoerd door de Rechter-commissaris (RC). De ervaringen hiermee zijn ook niet gunstig, zij het dat het niveau van de RC wel duidelijk als beter kan worden gekenschetst dan dat van de politiemensen, waarmee men tot dan te maken had gehad.

Een ernstig kritiekpunt over het GVO betreft de tijdsduur. Hier gaat het niet over dagen of weken, maar over maanden en niet zelden over jaren.

Maanden, voordat na de politiecelervaring gestart werd met het feitelijke GVO. Jaren voordat dit tot een afronding kwam.

Een ander punt van kritiek is, dat - in diverse gevallen - de stukken die tijdens het GVO aan de verdachte worden gestuurd, aan de deur worden uitgereikt door geŁniformeerde agenten. Dit leidt tot onnodige stigmatisering.

Als na het GVO de OvJ tenslotte een, voor de verdachte gunstige, beslissing neemt 'tot niet verdere vervolging', is de standaardoverweging daarvoor: 'wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs'. Dat is voor de ten onrechte aangeklaagden natuurlijk niet voldoende; zij willen erkend worden als 'ten onrechte als verdachte aangemerkt'.

De WFH heeft inmiddels goede hoop op reŽle verbeteringen in de aanpak van politie en justitie, na het uitkomen van het advies van dr. Peter van Koppen (Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving, NSCR) aan de Minister van Justitie, begin oktober 1997. Na onderzoek concludeert Van Koppen over de kwaliteit van opsporing en vervolging, ťn over het belang van goede richtlijnen (pagina 31):

"Mijn onderzoek (...) laat zien dat aangifte, opsporing en vervolging bij aangeefsters en bij andere betrokkenen veel leed veroorzaakt, terwijl vrijwel geen enkele aangifte tot een veroordeling leidt. De manier waarop veel opsporingsonderzoeken worden aangepakt, draagt in sterke mate bij aan het veroorzaakte leed. Het is daarom belangrijk dat een richtlijn wordt uitgevaardigd voor de wijze waarop dit soort zaken door politie en justitie moet worden behandeld."

In de vervolgens door hem voorgestelde conceptrichtlijnen kan de WFH zich vinden. Wij hebben er immers steeds voor gepleit, dat de waarheid zo goed mogelijk moest worden uitgezocht.

In het volgende hoofdstuk komen we op het onderzoek en het advies van Van Koppen terug.


Volgende >>