logo
titel

Een kleine fout?

Activiteiten van de Werkgroep Fictieve Herinneringen

Medio 1994 ontstond (zoals beschreven in de Inleiding), aanvankelijk onder de vleugels van OvK, de Werkgroep Onware Incest-Herinneringen (OIH). Een jaar later - Jan Wind was inmiddels overleden en de werkgroep was verzelfstandigd - doopten wij deze om in Werkgroep Fictieve Herinneringen (WFH).

Bij het kiezen van de eerste naam lieten wij ons inspireren door onze Amerikaanse zusterorganisatie, de False Memory Syndrome Foundation (FMSF), opgericht in 1992. Maar wij vermeden het woord 'vals', omdat dit in het Nederlandse spraakgebruik een andere lading heeft dan het Amerikaanse 'false', dat slechts 'fout' betekent.

Twee overwegingen brachten ons na enige tijd op de huidige naam. Ten eerste was het minder aangenaam om post te ontvangen met het woord 'incest' op de envelop. Ten tweede ging het, zo bleek uit de verhalen van de groeiende groep ouders die zich tot de werkgroep wendde, ook vaak om andersoortige herinneringen, bijvoorbeeld over mishandeling en verwaarlozing in de jeugd --- evenzeer onwaar.

Nu, weer twee jaar verder, zou er wel wat voor te zeggen zijn om het woord 'herinneringen' in de naam van de werkgroep te vervangen door 'traumaverhalen'. Immers: de problematiek van de verdrongen en later in therapie hervonden herinneringen staat tegenwoordig minder centraal dan die rond het creŽren - door therapeut en patiŽnt tezamen, waarbij de omvang van ieders rol steeds verschillend kan zijn - van fictieve traumaverhalen uit de jeugd tijdens psychotherapie.

In de eerste maanden na oprichting van de werkgroep brachten wij onze problematiek in kaart. Een grote hulp hierbij was de Amerikaanse False Memory Syndrome Foundation (FMSF), die al veel informatiemateriaal had vervaardigd en maandelijks een nieuwsbrief uitbracht. Maar ook in ons land bleek er al betrekkelijk veel over deze problematiek te zijn gepubliceerd; voldoende voor een eerste knipselkrant en een literatuurlijst. (De meest-recente literatuurlijst is als bijlage 3 achterin opgenomen.)

De belangrijkste activiteit van de werkgroep in die eerste maanden was het opstellen van een algemeen vouwblad, met daarin onze drie doelstellingen:

  1. een informatieplatform zijn voor beschuldigden, therapeuten en andere betrokkenen/geÔnteresseerden;
  2. streven naar verbeteringen in aanpak en werkwijzen rond vermeend incest door hulpverlenings- en politie-/justitie-instanties zelf;
  3. getroffen gezinnen helpen door een luisterend oor te bieden en de weg te wijzen naar mogelijke eigen activiteiten.

Door de jaren heen is dit algemene vouwblad in hoofdlijnen ongewijzigd gebleven. (De huidige tekst ervan is als bijlage 2 achterin opgenomen.)

Vervolgens vervaardigden we een fact-sheet 'Recovered Memories (hervonden herinneringen)' (zie hoofdstuk 5) en, mede aan de hand van het FMSF-voorbeeld, de handreiking 'Wat te doen als u ten onrechte wordt beschuldigd?' Deze stukken hebben door de jaren heen de kern gevormd van het eerste informatiepakket, dat aan ouders die zich bij ons meldden werd toegezonden. Vaak volgde dan telefonisch contact: ouders moeten 'hun verhaal kwijt aan een lotgenoot'. Voor dat doel organiseerde de WFH de afgelopen jaren ook viermaal een bijeenkomst: driemaal plenair in het midden van het land en eenmaal vier regionale bijeenkomsten. Gemiddeld 50-80 ouders bezochten telkens deze bijeenkomsten, waar naast het uitwisselen van de persoonlijke verhalen meestal ook plaats was ingeruimd voor het belichten van ťťn of meer specifieke aspecten van onze problematiek. Ook informeerden wij de aangesloten ouders een paar keer per jaar via een nieuwsbrief.

Eind november, begin december 1994 waren wij zover dat we 'de overheden' en 'het therapeutische veld' op hun verantwoordelijkheden konden gaan wijzen voor het oplossen van deze problematiek. Inmiddels hadden zich, na een kleine advertentieactie reeds enkele tientallen ten onrechte beschuldigde ouders (meest echtparen) bij de werkgroep aangemeld.

Wij stuurden brieven+bijlagen (vouwblad, fact sheet, literatuurlijst en persknipsels) naar de ministeries van Volksgezondheid, Justitie en Binnenlandse Zaken; naar de Vaste Commissies van de Tweede Kamer in deze sectoren; naar de Hoofdinspectie Geestelijke Gezondheidszorg; naar 16 koepelorganisaties op het gebied van de geestelijke volksgezondheid en naar enkele organisaties op justitiegebied.

In de maanden en jaren daarna informeerden wij, deels desgevraagd, ook een groot aantal beÔnvloeders in het therapeutische, juridische en wetenschappelijke veld en (deels desgevraagd) diverse vertegenwoordigers van kranten, tijdschriften, radio en TV. Een overzicht van al die activiteiten hebben wij samengevat in bijlage 1.

Wat is de balans van al die activiteiten?

Balans

De ministeries van Volksgezondheid en van Justitie kwamen traag op gang; nu is er bij Justitie voortgang onder impuls van het advies Van Koppen. Volksgezondheid heeft ons in enkele gesprekken, waarin men wel begrip voor de problematiek toonde, toch vooral verwezen naar de therapeutische koepelorganisaties. Binnenlandse Zaken voelde zich eertijds (en nog steeds?) niet aangesproken.

Wat 'de politiek' betreft: enerzijds blijkt de gezondheidszorg veel te veel te zijn gedelegeerd aan de koepelorganisaties, die het vervolgens onderling duidelijk niet eens kunnen worden. Anderzijds was het onderwerp 'beweerd-incest' ook - vooral in de beginperiode - duidelijk controversieel, zoals uit de magere gesprekoogst bij de Kamercommissies blijkt.

De therapeutische koepelorganisaties houden, soms door niet (meer) te antwoorden, al drie jaar de boot af, vooral onder het mom dat hun leden toch zorgvuldig werken. Zij (b)lijken intern soms ernstig verdeeld, bijvoorbeeld het NIP. De 'grip' van het Ministerie van Volksgezondheid respectievelijk de Hoofdinspectie op de koepels is ons inziens onvoldoende.

Bij de bonte rij beÔnvloeders kregen wij in het begin nog wel eens nietszeggende reacties; later kwam ook meer begrip en steun. De pers is geÔnteresseerd, zeker rond het verschijnen van het boek van Crombag/Merckelbach en - recent - rond het advies Van Koppen. Maar vooral de TV is tamelijk sterk gefocust op sensatie. Van de 'overige instanties' hebben wij nauwelijks tot geen respons ontvangen.

Smaad?

In de ruim drie jaar van ons bestaan is de WFH nimmer rechtstreeks 'aangevallen'; dit in tegenstelling tot onze Amerikaanse zusterorganisatie FMSF; en niet alleen in de VS maar ook in Nederland:

"De FMSF beschrijft psychotherapeuten als kwakzalvers die graag geld - 't liefst zoveel mogelijk - ontvangen voor het bij vrouwelijke patiŽnten induceren van pseudo-herinneringen aan incest, bij voorkeur in zo spectaculair mogelijke vorm, en hen aanzetten tot het ondernemen van juridische stappen tegen onschuldige ouders. Psychotherapeuten die aan dit beeld beantwoorden kennen wij (gelukkig) niet (...)." (Prof. dr. Onno van der Hart & Kees van der Velden, in Dth, 2-5-1995)

Indirecte smaad tegen een oudergroep als de WFH treffen we echter wel aan op pagina 96 van het (uit het Duits vertaalde) boek van Michaela Huber 'Meervoudige Persoonlijkheden: een Handboek voor Overlevenden van Extreem Geweld' (Uitgeverij Wereldbibliotheek, 1997):

"satanscultussen, kinderschenders en de georganiseerde misdaad hebben een machtige nationale en internationale lobby, die onjuiste informatie verspreidt (False Memory Syndrome, 'misbruik van misbruik' enzovoort) en initiatieven ter bestrijding van hun criminele activiteiten blokkeert en verhindert".

De WFH heeft de Ministeries van Justitie en Volksgezondheid verzocht om een standpunt over dit boek, waaraan gerenommeerde therapeuten als Onno van der Hart, Felix Olthuis (Psychiatrisch Centrum Bloemendaal) en Marko van Gerven (Bernard Lievegoedkliniek) is meegewerkt, cq. door wie het wordt aangeprezen.


Volgende >>