logo
titel

Een kleine fout?

Ontwikkelingen in de opinies van leidende therapeuten

Uit de diverse citaten in de voorgaande hoofdstukken, en uit de tekst van hoofdstuk 4 in het bijzonder, blijkt dat in Nederland een kleine groep schrijvende therapeuten de opinies in de geestelijke gezondheidsbranche in sterke mate beÔnvloed heeft en nog steeds beÔnvloedt: dr. Nel Drayer (VU Amsterdam) en prof. dr. Onno van der Hart (buitengewoon hoogleraar in Utrecht) als belangrijksten. Beiden overigens vaak in samenwerking met dr. Suzette Boon, gespecialiseerd in ritueel en satanisch misbruik.

Tegengeluiden, met name van de hoogleraren Wagenaar, Crombag en Merckelbach, worden vooral gepubliceerd in de niet-klinisch gerichte vakpers. Veel deskundigen lijken huiverig om zich in de - 'politiek' moeilijke - discussies te mengen:

"De psychiatrie is tot op de dag van vandaag verdeeld. Extreme visies botsen. (...) Er zijn er die handelen vanuit een brainless of vanuit een mindless concept. Enerzijds zij die de oorzaken zoeken in de vastgelopen relaties tussen patiŽnt en omgeving.

(...) Aan de andere kant zij die menen dat de stoornis in de hersenen zit." (Emeritushoogleraar R.H. van den Hoofdakker, in NRC-Handelsblad, 18-4-1996)

Niet alleen (de meeste) wetenschappers en (alle) beroepsorganisaties spreken zich - steeds maar - niet duidelijk uit over de dilemma's rond hervonden herinneringen. Ook de universiteiten, waaraan de opinieleiders Drayer en Van der Hart zijn verbonden, houden zich - in ieder geval naar buiten toe - tot nu toe doof en blind voor de 'opvallende' uitspraken en theorieŽn van hun zo aan de weg timmerende medewerkers.

In hoofdstuk "Activiteiten WFH" (i.c. Activiteiten WFH sinds 1994, die bij dat hoofdstuk behoort) hebben wij gemeld, dat wij met Drayer en Van der Hart over deze problematiek hebben gesproken. Heeft hen dat aan het denken gezet? Zijn zij wat genuanceerder over gerapporteerde of naar boven gebrachte traumawanen geworden?

Reeds in 1995 schreef Van der Hart samen met Van der Velden in het Tijdschrift voor Directive Therapie Dth:

"Het is niet uitgesloten dat sommige therapeuten in hun geestdrift om het onrecht de wereld uit te helpen verzuimen na te denken over de vraag of zij, met al hun goede bedoelingen, geen misbruik maken van de suggestibiliteit van hun patiŽnten en zich te weinig realiseren welke schade zij aanrichten wanneer zij onschuldige ouders in de verdachtenbank plaatsen." (prof. dr. Onno van der Hart, Un. van Utrecht, en Kees van der Velden, psychotherapeut, in Dth, 2-5-1995)

Vermoedelijk was hij toen al beÔnvloed door wat er inmiddels in de VS aan de hand was: de eerste 'retractors' (die hun oorspronkelijke beschuldigingen herroepen hadden) begonnen hun voormalige therapeuten voor de rechter te dagen. Een zorgelijke ontwikkeling, vonden die therapeuten (en veel van hun collega's in binnen- en buitenland). Wat moest men doen om zichzelf hiervan vrij te pleiten? Eťn oplossing was: wijt het aan de grote suggestibiliteit van de patiŽnt.

Kees van der Velden, diverse malen coauteur van Van der Hart, zocht een andere vorm van nuancering van eerder ingenomen standpunten. In een 'Ten geleide' bij een ingezonden brief van een ten onrechte beschuldigde vader, in Dth 4-95 schrijft hij over:

"het verdriet dat de mensen wordt aangedaan die ten onrechte van misbruik en/of mishandeling beschuldigd worden."

En hij voegt daar aan toe:

"(...)het is toch altijd onjuist om de narigheid van mensen die de dupe zijn van zogeheten therapie te verwaarlozen."

Hij suggereert hier ook dat het (vooral) kwakzalvers zijn, die zoiets aanrichten. Welnu: onze gegevens, ruim 60% reguliere therapeuten, wijzen op mťťr dan de 'zogeheten therapie' van een enkele kwakzalver.

En mevrouw Drayer? Al in 1994 (MGv 1-94) schreef zij:

"Ik kom zelf een enkele keer een geval tegen waarin een patiŽnt liever een duidelijke en dramatische bron van onbehagen lijkt te willen hebben, zoals seksueel misbruik, dan veel diffusere en ongrijpbare vormen van verwaarlozing en disrespect waaronder hij of zij als kind heeft geleden."

De hoofdgedachte in dit citaat - naast het bagatelliseren van incest als 'een bron van onbehagen' - is: laat het dan eventueel gťťn incest zijn, maar het arme kind is vroeger zeker verwaarloosd en met disrespect behandeld, waaronder het zwaar heeft geleden.

Langs dezelfde lijn denkt de psychoanalyticus Verheugt, geciteerd in MGv 10-95:

"(...) de mogelijkheid dat een gefantaseerde incestgeschiedenis een verschuiving kan betekenen van trauma's of tekorten op andere terreinen gedurende de vroege ontwikkeling. Met andere woorden een uiting van woede of een schreeuw om aandacht, liefde of erkenning."

Die grote behoefte aan 'aandacht' van de kinderen komt inderdaad in nogal wat dossiers voor.

In datzelfde jaar (MGv 8-94) lijkt mevrouw Drayer oog te hebben voor biologische/medische/genetische oorzaken van trauma's:

"Het maakt voor de behandeling nogal wat uit of bepaalde symptomen overwegend gerelateerd zijn aan innerlijke conflicten, 'vroege ontwikkelingsproblematiek' of aan lichamelijke defecten, of dat ze begrepen kunnen worden als voortvloeiend uit de wijze waarop iemand een al te belastende werkelijkheid het hoofd heeft geboden, zoals dat bij de dissociatieve stoornissen het geval is. (...) Het onderkennen van het dissociatieve karakter van bepaalde klachten en symptomen is dus van belang om patiŽnten de juiste behandeling te kunnen geven."

Maar bij nadere beschouwing van dit citaat, en van de context van het artikel, gaat het haar toch vooral om de dissociatieve stoornissen, vroeger MPS geheten die, zoals zijzelf heeft onderzocht, meestal ontstaan door mishandeling en/of incest in de jeugd. Op het terrein van de dissociatieve stoornissen wordt mevrouw Drayer in de eerste helft van de jaren 90 als (ťťn van) de deskundige(n) beschouwd.

Twee jaar later legt zij, samen met Boon en Van der Hart, in de Psycholoog (september 1996) opnieuw de onverbrekelijke verbinding tussen trauma's uit de jeugd, het gezin en dissociatieve stoornissen op latere leeftijd:

"Pathologische dissociatie is naar alle waarschijnlijkheid niet alleen een defensieve reactie op het overweldigende karakter van seksuele en lichamelijke mishandeling, maar ook het gevolg van het aan misbruik inherente gebrek aan ondersteuning in het gezin, de geheimhouding en de loyaliteitsconflicten waarin een kind terecht komt."

Interessant in dit citaat is ook weer de verwijzing naar 'de loyaliteitsconflicten' van het kind. Eťn van die hardnekkige mythes (zie hoofdstuk 4).

Heeft mevrouw Drayer dan geen oog voor de ouders? Wij vonden van haar een citaat over Elisabeth Loftus, de Amerikaanse geheugendeskundige, collega van prof. Wagenaar. Loftus maakt deel uit van de wetenschappelijke raad van de FMSF en staat veel aangeklaagde ouders bij in processen.

Drayer poogt Loftus als volgt wetenschappelijk te diskwalificeren:

"Emotionele betogen over het onrecht dat al die arme aangeklaagde ouders wordt aangedaan (Loftus, 1993) doet (...) vreemd aan in een wetenschappelijk betoog." (dr. Nel Drayer in NcGv-reeks, 95-14, 'Geloof en geloofwaardigheid'; 'Herinneringen aan traumatische ervaringen in de kindertijd')

Tenslotte keren wij nog eenmaal terug naar prof. Onno van der Hart, die in november 1996 in een Tv-programma van 2-Vandaag zei dat hij een stuk genuanceerder was geworden ten aanzien van het waarheidsgehalte van traumatische herinneringen.
Echter: in (de drukproeven van) een Amerikaans boek 'The Dilemma of Ritual Abuse', uit te geven (of reeds uitgegeven) door de American Psychiatric Press Inc. in Washington, DC en London, England, verzorgt Van der Hart, samen met Suzette Boon, Ph.D., en Olga Heijtmajer Jansen M.D., hoofdstuk 7. De slotparagraaf in dit hoofdstuk, getiteld 'Ritual Abuse in European Countries; A Clinician's Perspective' begint als volgt:

"In heated debates regarding traumatic memories in general and SRA (=Sexual Ritual Abuse) in particular, Dutch trauma therapists, like their North American Colleagues, have become targets of vicious attacks."

Therapeuten zien zichzelf nu 'ten prooi vallen aan gemene aanvallen'; ze worden zelf 'slachtoffers'. Door die gemene aanvallen is het volgens deze auteurs een stuk moeilijker geworden "to treat patients reporting SRA."

De auteurs twijfelen eigenlijk niet over "these extremely traumatized patients". Hooguit gaat het soms om enkele "false and misinterpreted reports of ritual abuse".

Indien 'false': dan is het 'een kleine fout' om er geloof aan te hechten, zo betoogde Van der Hart eerder; zie het citaat op het titelblad van ons rapport.

En indien 'misinterpreted'?

Door wie? Door de therapeut of door de patiŽnt of door beiden? Dat blijkt hier niet. Maar de sterke suggestie is, dat er in de jeugd toch wel het ťťn en ander aan akeligs moet hebben plaatsgevonden.


Volgende >>