logo
titel

Een kleine fout?

Wat valt er voor de werkgroep nog te doen?

Na ruim drie jaar beraadt de werkgroep zich op de toekomst.

Enerzijds groeit de groep ouders nog steeds, zij het gelukkig niet meer zo hard als een jaar geleden, en blijft er dus veel behoefte bestaan aan (periodiek) advies en bijstand. Maar de groep is nu eigenlijk te groot geworden om met een klein team vrijwilligers goed te kunnen 'bedienen' met een lotgenotentelefoon, nieuwsbrieven en bijeenkomsten.

Anderzijds hebben we het idee, dat het tij bij overheden (met name bij Justitie, zoals gezegd) en bij (sommige) therapeuten - gelukkig - aan het keren is, zij het niet zo snel en zo grondig als we wel zouden willen. Maar 'de politiek' kan hier wellicht versnelling bewerkstelligen.

Eťn van de concrete verbeteringen die de komende tijd zou moeten worden aangebracht, is het opstellen en invoeren van protocollen voor therapeuten, over hoe om te gaan met (al of niet fictieve) traumaverhalen. Het zijn vooral de therapeutische koepels die hier het voortouw moeten nemen ten behoeve van hun leden. Maar ook afzonderlijke instellingen, bijvoorbeeld psychiatrische ziekenhuizen, kunnen natuurlijk voor zichzelf dergelijke protocollen ontwerpen.

Een belangrijk onderdeel van dergelijke protocollen zou moeten zijn: het (doen) horen van ouders, broers en zusters, huisarts (!), eventuele vroegere therapeuten en anderen die voor externe validatie van traumaverhalen kunnen zorgen. Indien dat gebeurt door bijvoorbeeld een collega van de behandelende therapeut, dan schaadt dat niet de vertrouwelijkheid van de behandelrelatie met de patiŽnt.

Het informeren en horen van ouders en andere naaste verwanten is in de (geestelijke) gezondheidszorg al veel langer een belangrijk aandachtspunt. In de Wet Beroepen Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG), die eind 1997 wordt ingevoerd (na al enkele jaren geleden door het Parlement te zijn aanvaard), is aan de 'naaste betrekkingen' - gelukkig - een rol(letje) toebedeeld. Zoals gezegd tellen ouders van volwassen patiŽnten - of die nu wel of niet van iets worden beschuldigd - tot op heden helaas helemaal niet mee. Terwijl die ouders hun eigen kinderen toch vaak heel goed kennen en er veel nuttige informatie over zouden kunnen meedelen.

Voor politie en justitie is het van belang dat men zich bewust wordt van het bestaan van het fenomeen van de fictieve traumaverhalen, met alles wat daaraan vast zit. Het zou goed zijn als bijvoorbeeld op de rechercheschool hieraan expliciet aandacht werd geschonken. Maar ook tijdens periodieke her- en bijscholing van Officieren van Justitie en rechters zou deze problematiek moeten worden behandeld.

De richtlijnen die de Minister van Justitie, gelet op het advies Van Koppen hopelijk binnenkort uitvaardigt, zullen hier een goed houvast kunnen bieden.

Een enkel woord nog over civiele en tuchtrechtprocedures.
Civiele claims kennen wij van twee kanten: enerzijds van de kant van kinderen die wegens het beweerde incest allerlei schadevergoedingen van hun ouders eisen, bijvoorbeeld voor gederfde inkomstens wegens niet-afgemaakte opleidingen en afgebroken carriŤres en voor leed en immateriŽle schades; en anderzijds van de kant van ouders, bijvoorbeeld wegens het doen van een valse aangifte of wegens het verspreiden van laster.

Zowel ouders als kinderen kunnen uiteraard ook een civiele procedure starten tegen een therapeut. Die van een kind, als ex-patiŽnt directbetrokkene, zal veel kansrijker zijn dan van ouders, die slechts een afgeleid belang en indirecte schades zullen kunnen aantonen.

Enkele van de ons bekende civiele procedures lopen nog; ze kosten zo mogelijk nog meer tijd dan de strafrechtelijke trajecten. Voor verreweg de meeste ouders is overigens het aanspannen van een civiele zaak tegen hun kind een onbestaanbaar iets. Wel zouden veel ouders graag de desbetreffende therapeut voor de rechter dagen. Bewijsrechtelijke vereisten en financiŽle risico's vormen daarbij echter vaak te hoge drempels.

Iets anders ligt het met het indienen van klachten bij tuchtcolleges. De vormvereisten daarvoor zijn niet zo strikt: een klachtbrief naar het betrokken tuchtcollege - voor elke beroepsvereniging weer anders geheten - volstaat. Het inschakelen van een advocaat is niet strikt nodig, hoewel uiteraard wel nuttig.

De ervaringen tot nu toe van de paar ouders die tuchtrechtzaken hebben aangespannen zijn echter niet onverdeeld gunstig, al is een enkel succesje geboekt. Behalve dat ze net zolang duren als civiele zaken (het NIP geeft zelf toe dat hun organisatie niet op het grote aantal klachten is ingericht), lijken de huidige colleges er meer op uit om de leden van de eigen beroepsgroep de hand boven het hoofd te houden, desnoods via een beroep op - in de ogen van de ouders: futiele - formele argumenten, dan om tot objectieve afweging te komen van de in het geding zijnde belangen. Hopelijk zal het nieuwe tuchtrechtsysteem van de Wet BIG vanaf eind 1997 tot evenwichtiger uitkomsten leiden.

Dat is dan niet alleen in het belang van de procespartij 'ouders'. Als een beroepsbeoefening via een goedwerkend tuchtrechtsysteem wordt gecontroleerd, komt dat ten goede aan het benodigde kwalitatieve niveau van die beroepsgroep. En kwaliteitsverbetering achten wij in alle psychotherapeutische geledingen - en bepaald niet alleen bij zogenaamde 'kwakzalvers' - hoogst noodzakelijk.


Volgende >>