logo
titel

Ontwikkelingen en werkzaamheden
in de jaren 1997-2004

Inleiding

Het is van belang, de hoofdlijnen vast te leggen van de problematiek van de fictieve incestherinneringen. In ons rapport ‘Een kleine fout?...’beschrijven we de eerste drie jaar na het oprichten van de WFH (toen nog onder een andere naam), medio 1994. Onderstaande rapportage beslaat de jaren nadien. Deze kan kort zijn, omdat in die periode twee belangrijke rapporten over de problematiek verschenen: dat van de Nationale ombudsman naar aanleiding van de klacht van de WFH tegen de minister van VWS (5 april 2000), en dat van de Gezondheidsraad als gevolg van de adviesaanvraag van de minister van VWS (27 januari 2004).

A. Tussen ‘Een kleine fout?…’ en het Ombudsmanrapport

Op 27 oktober 1997 stuurden we exemplaren van ons zojuist verschenen rapport ‘Een kleine fout? Over traumawanen bij volwassen kinderen’ naar de minister van VWS, de koepels in de GGZ en veel andere belanghebbenden en belangstellenden. Enkele weken tevoren (bij brief van 6 oktober 1997) hadden we de minister ook al het rapport-Van Koppen ‘Hervonden misdrijven; over aangiftes van seksueel misbruik na therapie’ toegezonden.
De minister van VWS reageerde bij brief van 13 november 1997 wél op toezending van het rapport-Van Koppen, maar niet op ‘Een kleine fout? …’ (daarover heeft VWS noch Inspectie ooit iets jegens de WFH opgemerkt.) De minister schrijft o.m.:

"Naar aanleiding van het onlangs verschenen adviesrapport van de heer P. van Koppen (…) doet u een beroep op mij om te bevorderen dat via richtlijnen, protocollen en scholing de aanpak van bepaalde therapieën wordt verbeterd. U vraagt daarbij met name mijn aandacht voor de zogenoemde hervonden ‘incestwanen’.Hoewel ik zeker begrip heb voor de schade en pijn die optreden indien ouders ten onrechte beschuldigd worden van incest, moet ik u mededelen dat mij geen mogelijkheden ter beschikking staan om aan uw verzoek tegemoet te komen. Zoals (…) eerder gesteld, is al meerdere jaren een internationale wetenschappelijke discussie gaande over de mogelijkheid van het optreden van hervonden herinneringen bij de door u genoemde therapieën. U zult begrijpen dat ik geen beslissend oordeel kan uitspreken inzake wetenschappelijke dilemma’s. Bovendien kennen de beroepsgroepen een eigen verantwoordelijkheid voor het kwaliteitsbeleid ten aanzien van de door hun leden geboden hulpverlening
Ik kan en wil niet treden in die eigen verantwoordelijkheid.
Omdat ik met u van mening ben dat de door u genoemde problematiek een zorgvuldige aandacht verdient, zal ik de Inspectie van de Gezondheidszorg verzoeken om dit onderwerp, zoals ook in het verleden is gebeurd, nogmaals met nadruk onder de aandacht van de beroepsgroepen te brengen. (…)"

Wij citeren zo ruim uit deze brief, omdat hierin de kern besloten ligt van de passieve opstelling van het ministerie van VWS (inclusief Hoofdinspectie), sinds we daar in 1994 aandacht vroegen voor fictieve incestherinneringen, en die ons er uiteindelijk, in november 1998, toe heeft gebracht, een klacht tegen de minister van VWS in te dienen bij de Nationale ombudsman.

Maar voor het zover kwam, hebben we bij het ministerie nog aangedrongen op

  1. het organiseren van ‘een bijeenkomst met betrokkenen van de therapeutische koepels, Volksgezondheid/Hoofdinspectie en de wetenschappelijke wereld’;
  2. een onderzoek naar de betrouwbaarheid van incest diagnoses die tijdens therapie worden gesteld, en of de daarop volgende behandelingen, bijvoorbeeld als MPS/DIS- of borderline patiënt, al of niet succesvol zijn; en niet schadelijk, hetzij voor de patiënt zelf, hetzij voor de eventuele partner en kind(eren) of voor de ouder…’

Over zo’n bijeenkomst en/of een onderzoek hebben we, zowel op het ministerie als daarbuiten, in 1998 en 1999 vele gesprekken gevoerd. Eerst verwees het ministerie ons naar GGZ-Nederland, de koepel van de RIAGG’s. Daar achtte men één en ander beter op zijn plaats bij het Trimbos Instituut (het vroegere NcGv, het Nederlands centrum voor de geestelijke volksgezondheid). Het Trimbos Instituut heeft na een aantal gesprekken de ‘hete aardappel’ die deze problematiek voor zoveel partijen was, vervolgens weer doorgeschoven naar Zorg Onderzoek Nederland, de ‘op afstand geplaatste’ onderzoeksafdeling van het ministerie van VWS zelf.
Inmiddels had de Hoofdinspectie namelijk f. 50.000 beschikbaar gesteld voor een onderzoek, en wilde desnoods wel als opdrachtgever optreden. Er werd zelfs overeenstemming bereikt over een onderzoeksopdracht én er werd een onderzoeker gekozen: prof. Merckelbach. Op dit – niet door gegane – onderzoek komen we terug onder B.

Gefrustreerd door de te passieve opstelling, die het ministerie ook gedurende het jaar 1998 ten toon spreidde, had de WFH intussen een klacht tegen dat ministerie voorbereid bij de Nationale ombudsman.

B. Het rapport van de Ombudsman – en daarna

Na het verschijnen op 5 april 2000 van het rapport van de Nationale ombudsman (waarin de klacht van de WFH tegen de minister van Volksgezondheid gegrond werd verklaard; rapportnummer 2000/105), was het enkele weken lang erg druk met reacties van kranten, radio en TV, en zijn er weer veel nieuwe ‘gevallen’ bij gekomen In veel kranten is er goed over het Ombudsman-rapport geschreven – o.a. in het Reformatorisch Dagblad, waarop veel reacties zijn gevolgd. Maar van de aanvankelijk verwachte TV-programma’s ging er tenslotte maar één door: een middagprogramma met deelname van een bestuurslid van de WFH tegenover een VU-professor die weinig van de eigenlijke problematiek bleek te weten. De echte deskundigen, die voor dit (en andere) programma(s) waren benaderd, wilden (durfden?) er niet aan mee te werken. Dat was ook de reden waarom de andere programma’s niet doorgingen.

Naast dit TV-programma over het rapport van de Ombudsman, heeft Net 5 in het voorjaar van 2000 ook uitgebreid aandacht geschonken aan een casus van ouders uit onze groep met een ‘retractor’ dochter.

C. Commissie hervonden herinneringen van de Gezondheidsraad

De reactie van de minister van VWS – en van de politiek in het algemeen – op het Ombudsman-rapport was in eerste instantie erg afhoudend. Het positieve gevolg was wel dat de minister in juli 2000 de Gezondheidsraad om advies heeft gevraagd over de problematiek. Een minpunt was vervolgens, dat het onderzoek van de Gezondheidsraad pas in 2001 van start kon gaan, en dan naar verwachting nog minstens een jaar in beslag zou nemen. Uiteindelijk verscheen dit rapport pas op 27 januari 2004.
De WFH heeft in de zomer van 2000 direct contact gelegd met de Gezondheidsraad. Wij hebben recente literatuur gestuurd en onze bereidheid kenbaar gemaakt om onze deskundigheid in te zetten.

De activiteiten van de Gezondheidsraad kwamen in feite in de plaats van een universitair onderzoek bij (ex-)patiënten, dat in opdracht van Zorg Onderzoek Nederland (ZON) zou worden uitgevoerd door prof. Merckelbach van de universiteit van Maastricht. De door Merckelbach ingediende onderzoeksopzet kreeg evenwel zoveel vreemde reacties van de toetsingscommissie, dat hij zich heeft teruggetrokken.
Het voorstel van de WFH om dan maar de voor het ZON-onderzoek gereserveerde f. 50.000,- (dat budget was eigenlijk ook wel erg laag voor zo’n onderzoek) te gebruiken voor het organiseren van een bijeenkomst met de beroepsorganisaties, werd door VWS in het voorjaar van 2000 afgewezen. De suggestie van VWS dat de WFH dan zelf maar zo’n bijeenkomst zou moeten gaan organiseren, hebben wij als onwenselijk én onhaalbaar afgewezen.

Op 22 augustus 2001 – dus pas 13 maanden na de adviesaanvraag van de minister van VWS om haar te informeren ‘omtrent de stand van de wetenschap op dit terrein’ – is de Commissie hervonden herinneringen van de Gezondheidsraad geïnstalleerd.
Voorzitter van deze commissie was prof.dr WTAM Everaerd, hoogleraar psychologie, UvA Amsterdam; secretaris mevrouw DCM Gersons-Wolfensberger, arts. Van de leden noemen we mw. dr. P.J. Draijer, prof. O. van der Hart, prof.W. Wagenaar en prof. H. Merckelbach.
De volledige ledenlijst vindt u op onze website.

Ons leek het niet gemakkelijk om een goed advies te krijgen omdat diverse leden van de commissie hun eigen werk moesten beoordelen. Deze waren zo direct betrokken bij het ontstaan en verspreiden van de problematiek, zoals we eerder al schreven in ons rapport ‘Een kleine fout?…’ . Het argument van de Gezondheidsraad was echter, dat het eindresultaat anders niet zou worden geaccepteerd door de verschillende partijen in ‘het veld’. Eerlijk gezegd hebben we tot het eind toe er aan getwijfeld of de commissie tot gezamenlijke conclusies en aanbevelingen zou kunnen komen.

De WFH werd als ‘ervaringsdeskundige’ uitgenodigd voor een hoorzitting van 30 minuten op dinsdag 13 november 2001 om ‘onze ervaringen , feiten en cijfers kenbaar te maken’ en om aan de commissie die punten voor te leggen die wij voor de werkzaamheden van de commissie van belang achten. Daartoe heeft de WFH de aangesloten ouders bevraagd tav. de volgende punten:

  1. Hoe is de situatie van uw beschuldigende dochter of zoon nu?
  2. Is er wellicht sprake van ‘terugkeer in het gezin’ (‘returner’) of zelfs intrekken van de beschuldiging (‘retractor’)?
  3. Hoe is een eventueel juridisch traject afgelopen?
  4. En tenslotte: hoe is met u als ouders?

Ter voorbereiding van deze hoorzitting heeft de WFH de volgende brief gestuurd aan de commissie:

"Hierbij stuur ik u, ter voorbereiding van de hoorzitting op dinsdag 13 november 14.30-15.00 uur, recente informatie over de ‘gevallen’ die sinds 1994 bij de werkgroep zijn aangemeld.
Ik verbind er graag een concreet voorstel aan.

1. Gevallen

Sinds medio 1994 hebben zich 272 ‘gevallen’ (= beschuldigde ouders) bij de Werkgroep gemeld, waarvan 13 via onze website www.werkgroepwfh.nl die in het voorjaar van 2001 van start is gegaan. De ‘piekjaren’ van de beschuldigingen waren 1992 t/m 1997. Overigens weten wij in 1/3 van de gevallen niet, uit welk jaar de beschuldiging precies stamt.
In de loop der jaren hebben 44 ‘gevallen’ te kennen gegeven, geen behoefte meer te hebben aan informatie van de werkgroep (nieuwsbrieven, bijeenkomsten), veelal ‘omdat zij door wilden gaan met hun leven’; die 44 zijn dus van de adreslijst afgevoerd.

In 87 ‘gevallen’ weten de ouders (iets over) de therapeut van hun kind(eren):

In 45 gevallen (= 16%) heeft er een (kortere of langere) juridische procedure gespeeld, meestal een aangifte.

In 9 (+3) gevallen is sprake van een ‘returner’: wel weer (vaak zeer voorzichtig) contact, maar de beschuldiging is niet expliciet ingetrokken.
De ‘gevallen’ tussen haakjes betreffen kinderen die willen ‘returnen’, terwijl de ouders dat niet willen.
In 8 gevallen is er sprake van een ‘retractor’: de beschuldiging is expliciet ingetrokken. Dat betekent overigens niet dat het contact in alle gevallen goed is hersteld, of dat het met het betreffende kind goed gaat.

2. Voorstel

De WFH beschikt over veel ‘dossiers van gevallen’; bovenstaande informatie is daaraan ontleend. Deze dossiers bevatten vaak ook uitgebreide verhalen van de beschuldigde ouders --- een groep die bij therapeuten, de beroepsorganisaties én de verantwoordelijke overheden nimmer gehoor heeft gevonden. Alleen media waren soms geïnteresseerd; maar dan dreigde het gevaar van beschadiging van de kinderen en (met name bij TV) eenzijdige aandacht voor sensationele elementen.

Voor het onderzoek uit 1997 van het NSCR (Van Koppen), in opdracht van Justitie, is via de WFH een vragenlijst aan de ouders voorgelegd; de antwoorden zijn uiteraard rechtstreeks naar het NSCR gestuurd.
Dat zou uw commissie opnieuw kunnen doen, om inzicht te krijgen in de verhalen van de ouders en de achtergronden van de ‘gevallen’. De wetenschappelijke literatuur over dit onderwerp is helaas nagenoeg alleen gebaseerd op één kant: de verhalen van patiënten en hun behandelaars. Daarom zijn de verhalen van de ouders zo belangrijk. Het gaat in de wetenschap immers om het vergroten van kennis en het zoeken naar de waarheid.

Wij zouden u ook de dossiers voor bestudering ter beschikking kunnen stellen --- uiteraard na dit ‘voor de goede orde’ aan de ouders te hebben gevraagd. Wij verwachten dat de meeste ouders daartoe graag bereid zullen zijn, zeker als daarbij de gebruikelijke wetenschappelijke privacy garanties zijn geboden; en dat zal bij een bij uitstek onafhankelijk college als uw commissie uiteraard ten volle zijn gegarandeerd.

Wij zijn benieuwd om uw reactie op de hoorzitting te vernemen."
(Aldus de brief van de WFH aan de commissie.)

We hebben de in de brief genoemde gegevens aan de secretaris overhandigd. De commissie wilde helaas niet ingaan op ons voorstel om – vertrouwelijk – kennis te nemen van de dossiers van de ouders, waarin zoveel gegevens, bijvoorbeeld over de betrokken therapeuten en de gebruikte methoden, zijn neergelegd. De voorzitter stelde zich op het standpunt "dat het ging om een zeer geselecteerde groep, waarmee we in wetenschappelijk opzicht niet kunnen werken."
Een onjuist, en dus teleurstellend, standpunt.

D. Diverse ontwikkelingen en activiteiten (2000-2002)

1. Lezing Elisabeth Loftus
In mei 2000 heeft deze beroemde Amerikaanse geheugenprofessor, tijdens een bezoek aan Nederland, aan de VU in Amsterdam een pittige lezing gehouden. Het ging over het gemak waarmee fictieve herinneringen kunnen worden aangepraat. Daar komen steeds meer voorbeelden van. Er waren veel toehoorders, zowel uit wetenschappelijke als uit juridische kring. Vertegenwoordigers van de WFH hebben nog even met mevrouw Loftus gesproken en haar van harte bedankt voor het vele goede werk dat ze voor deze problematiek doet, met name in de VS.

2. NCRV-serie ‘Verborgen moeders: zwanger na incest’
In deze twee NCRV-documentaires, uitgezonden in juni 2000, disten jonge vrouwen, herkenbaar in beeld in hun (voormalige) woonplaats, gruwelijke verhalen op over hun ‘incest-verleden’. De verbijsterde ouders, die hier tevoren niet van op de hoogte waren, hebben rechtszaken aangespannen tegen de NCRV. Eén van de ouders is al sinds 1997 bij de WFH bekend; de ander is na de uitzending door derden op het bestaan van de werkgroep gewezen. In het vakblad ‘De Journalist’ van 17 november 2000 is een uitvoerige en kritische reconstructie van deze geruchtmakende zaak gepubliceerd.
De ouders van de vrouwen die in deze documentaires voorkwamen, waren vooraf niet gehoord en konden dus ook niet met een ontkennend weerwoord komen. De NCRV vond dat niet nodig, want (zo schreef men aan de WFH die ook om opheldering vroeg): "Het drama speelt zich af op een abstracter niveau dan de triviale zoektocht naar Waarheid en Onwaarheid." (Cursivering van ons). Bovendien, zo stelde de NCRV: "daders ontkennen toch altijd."
En een woordvoerster van het FIOM (een door de overheid gesubsidieerde hulporganisatie, oorspronkelijk voor ongehuwde moeders), door de NCRV als deskundige partij ingeroepen, merkt op: "Of het waar is? De waarheid doet er niet toe. Het gaat om de pijn." (De pijn als gevolg van slechte therapie? vragen we ons af…)

Te gek om los te lopen, zo werd ook in het TV-programma ‘De Leugen regeert’ geoordeeld.

De algemene opvatting in de publiciteit was dat de NCRV als zogenaamde fatsoenlijke omroep hier toch wel een hele scheve schaats heeft gereden. Kennelijk nemen ze het met de waarheid niet zo nauw en gaat het hen meer om de sensatie en de kijkcijfers.
Eerst heeft de NCRV in één zaak een rectificatie gepubliceerd in hun gids. De omroep noch de dochter is in staat gebleken het verhaal van de zwangerschappen en abortussen aannemelijk en bewijsbaar te maken.
Vervolgens heeft in juni 2002 de Amsterdamse Officier van Justitie aan de NCRV een boete opgelegd wegens smaad in het 2e deel van de documentaire. Die uitzending was op 26 juni 2000. De NCRV erkent smaad te hebben gepleegd jegens de familie van de in beeld gekomen vrouw, en zal de geldsom betalen. Inmiddels heeft de NCRV ook een (tweede) rectificatie geplaatst in de eigen omroepgids, en aan de familie een schadevergoeding betaald voor materiële- en immateriële schade en voor advocaatkosten.

(N.B. In 1992 maakte Thom Verheul een even omstreden film, ‘De Ontkenning’, over ‘Brigitte’ (30) die zei jarenlang te zijn misbruikt en die daarom nu MPS had. Haar ouders en broer ontkenden dit heftig, maar werden toen niet geloofd; ‘het was zo erg, het moest wel waar zijn’. Die film is jarenlang gedraaid op allerlei opleidingen voor therapeuten. De NCRV vindt in 2004 deze zaak nu verjaard, en wil er niet meer op terugkomen.)

3. België
De WFH onderhoudt al enkele jaren nauwe banden met een soortgelijke (maar veel kleinere) werkgroep in België. Inmiddels zijn enkele personen die op grond van hervonden herinneringen waren beschuldigd, buiten vervolging gesteld.
Twee leden van de Belgische werkgroep hebben ‘hun verhaal’ mogen vertellen op een bijeenkomst van een ministeriële commissie waarin verschillende groeperingen zijn vertegenwoordigd. De leden werden aangehoord, maar werden niet direct serieus genomen.
In het maandblad EOS is een uitvoerig, kritisch artikel verschenen over hervonden herinneringen; zie www.skepp.be .
Een Antwerpse studente is afgestudeerd als criminoloog aan de Universiteit van Leuven op de verhandeling ‘Valse beschuldigingen in zedenzaken’. Tijdens haar onderzoek heeft zij heel wat weerstand uit therapeutische kringen ondervonden. Maar er was ook veel bewondering dat zij op dit onderwerp is afgestudeerd.
Door de Belgische werkgroep is getracht de Nederlandse aanwijzingen ‘Opsporing seksueel misbruik in afhankelijkheidrelaties’ onder de aandacht van het departement van Justitie te brengen. Aanvankelijk tevergeefs. Vervolgens is het jaarverslag van de (Nederlandse) Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken onder aandacht gebracht van de Belgische ministeries van Justitie en Volksgezondheid. In het Belgische Parlement zijn vragen gesteld of het ministerie therapeuten wil aanpakken die fictieve herinneringen inplanten bij hun patiënten. Daarbij werd verwezen naar de ontwikkelingen in Nederland. Maar net als in ons land werd de boot door de Minister van Volksgezondheid afgehouden. Er is overleg met beroepsorganisaties van psychotherapeuten, maar dat leverde weinig resultaat op. Bovendien worden er aan Franstalige en Nederlandstalige kant verschillende accenten gelegd. Het blijkt dat de justitiële en de therapeutische instellingen een gesloten front vormen, zodat ieder die een kritisch geluid laat horen, als indringer wordt beschouwd. Het Freudiaanse gedachtegoed staat in dit land nog hoog aangeschreven. Daarbij komt ook dat de Dutroux-zaak diepe sporen heeft nagelaten.
Er heeft zich tot nu toe 1 retractor in België gemeld.

4. Nieuwe gevallen
Tussen april (het verschijnen van het rapport van de Nationale ombudsman) en december 2000 hebben zich ruim 30 nieuwe ‘gevallen’ bij de WFH gemeld, meestal naar aanleiding van de publiciteit rond het rapport van de Ombudsman, maar ook na de TV-uitzendingen van ‘Verborgen moeders’ en ‘Oog in oog’van Net 5.
De krantenartikelen van het Reformatorisch Dagblad – eerst over het Ombudsman-rapport en later over ‘Verborgen moeders’ – hebben voor zeker 5 nieuwe aanmeldingen gezorgd.
Onder ‘nieuwe aanmeldingen’ vallen ook de zaken, die wellicht al jaren geleden zijn begonnen, maar waarbij de beschuldigingen recent zijn geuit en waarbij de ouders zich nu pas bij de WFH melden. Voor zover bekend, stammen 16 beschuldigingen uit het jaar 2000, en 6 uit 1999. De rest is van oudere datum.
In 2001 hebben zich 16 nieuwe ‘gevallen’ bij de WFH gemeld; in 2002 7, in 2003 3; in 2004, in de weken na het verschijnen van het rapport van de Gezondheidsraad al weer 4.
Het blijkt wel, dat het hoogtepunt van de problematiek nu duidelijk voorbij is. Maar natuurlijk betekent elk nieuw ‘geval’ een tragiek voor kind én ouders.

5. Ontwikkelingen in de binnen- en buitenlandse literatuur
In de binnen- en buitenlandse literatuur is vanaf 2000 een duidelijke trend zichtbaar van minder aandacht voor onze problematiek. Toch laaide af en toe de discussie weer op. De professoren Crombag en Merckelbach bleven actief en publiceerden regelmatig kritische stukken, zoals over het vermeende causale verband tussen trauma en dissociatie (‘De Psycholoog’, oktober 2000, pp. 429 ev.). In de psychiatrie en de klinische psychologie wordt overigens in het geheel niet meer gesproken over een Meervoudige Persoonlijkheids Stoornis (MPS), maar over een dissociatieve identiteitsstoornis (DIS), inmiddels een breed aanvaard begrip. Men maakt soms onderscheid tussen echte en nagebootste stoornissen. Zowel de omschrijving als de veronderstelde oorzaak is nog steeds onduidelijk
De bekendheid met onze problematiek heeft wel tot gevolg dat er steeds meer aandacht is voor de werking van de hersenen met betrekking tot het geheugen, met de mogelijkheid dat fictieve herinneringen worden geconstrueerd.

6. Website WFH
Sinds het voorjaar van 2001 bestaat de website: www.werkgroepwfh.nl
Zodra er in de media aandacht is voor de problematiek, wordt de site goed geraadpleegd. Ook vanuit het buitenland is er af en toe aandacht voor.

7. Expertise commissie Justitie
Begin oktober 2001 verscheen het eerste jaarverslag van de commissie van deskundigen, ingesteld door het College van Procureurs-Generaal, die een ‘toetsing vooraf’ heeft gedaan van:

  1. aangiften van seksueel misbruik die zou hebben plaatsgevonden voor het derde levensjaar;
  2. aangiften die satanisch en/of ritueel misbruik zouden betreffen;
  3. aangiften van in therapie ‘hervonden’ misbruikherinneringen.

Veertien van de zesentwintig in het eerste jaar behandelde zaken voldeden aan één van de hierboven genoemde criteria; acht daarvan betroffen ‘fictieve herinneringen’.
Zie verder de website van de Expertisegroep www.om.nl (zeden) .

8. Boek Han Israëls
Eind augustus 2001 is het boek "Heilige Verontwaardiging"van de socioloog Han Israëls verschenen (uitgeverij Contact). Hij doceerde geschiedenis van de psychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij richt zich met name op het onderzoek van Nel Draijer uit 1990, waaruit bleek dat zo’n groot aantal vrouwen is misbruikt door verwanten. In vrij krasse bewoordingen zet hij vraagtekens bij haar cijfers en bij de conclusies die zij trekt. Hij gaat tevens uitgebreid in op hervonden herinneringen. Dit boek heeft een relletje veroorzaakt in de publiciteit, temeer omdat hij al eerder een vernietigend boek over Freud heeft geschreven. Klinisch psychologen en psychiaters nemen hem dat niet in dank af.

9. Returners/retractors
(Een ‘returner’ is iemand die het contact met de familie herstelt, maar (nog) niet om de incestbeschuldiging is teruggekomen; een ‘retractor’ heeft de beschuldiging wel ingetrokken.)
Uit de antwoorden, die de ouders ons in 2001 stuurden op onze vraag over de eventuele ‘terugkeer’ van hun zoon of dochter, bleek dat enkele tientallen weer contacten met hun kinderen hadden; vaak evenwel zonder dat er over het verleden werd gepraat. Misschien moet je daar al blij om zijn. Het eist van deze vrouwen toch wel een bijna bovenmenselijke moed – na het uiten van die verschrikkelijke beschuldigingen – om te moeten zeggen dat ze zich hebben vergist, op een dwaalspoor zijn gebracht. Misschien moeten ouders zich afvragen of dat van die vrouwen, die immers met grote psychische problemen kampen of gekampt hebben, verwacht mag worden. Ieder zal hiervoor een antwoord willen vinden. Maar het antwoord op deze moeilijke vraag zal pas kunnen worden gegeven, als wij onszelf hebben afgevraagd wat wij eigenlijk (nog) willen.
In de zomer van 2003 hebben 4 retractors zich rechtstreeks tot de WFH gewend. Daarnaast hebben 2 ouders aangegeven dat hun kinderen op de geuite beschuldigingen zijn teruggekomen. In 1 van deze gevallen was de vader reeds veroordeeld.

10. VARA-uitzending van ZEMBLA op 21 juni 2002
Onder de titel ‘Seks, leugens en therapie’ besteedde ZEMBLA aandacht aan een zaak met een hoog Epe-gehalte. Aanleiding voor deze uitzending was het feit dat aangeklaagde ouders de therapeut van hun dochter in een civiele procedure met succes hebben laten vervolgen. De schrijvende pers had aan deze zaak, waarin voor het eerst een therapeut een schadevergoeding aan ouders moest betalen, al veel aandacht besteed. In tegenstelling met de hiervoor genoemde uitzendingen van de NCRV, kwamen in deze uitzending niet alleen de ouders aan het woord, maar ook de dochter, hun advocaten, getuige-deskundigen, alsmede de advocaat van de therapeut en een vertegenwoordiger van de rijksrecherche. Hoor- en wederhoor dus.
In de uitzending werd ook melding gemaakt van de klacht die de WFH met succes heeft ingediend bij de Nationale ombudsman tegen het ministerie van Volksgezondheid, met als gevolg de installatie van de Commissie Hervonden Herinneringen. Naar aanleiding van de uitzending hebben zich wederom enkele nieuwe 'gevallen' gemeld. Interessant is te vermelden dat in die periode onze website druk is bezocht.

E. Het ‘tussenjaar’ 2003

Dit jaar stond vooral in het teken van het wachten op het rapport van de Gezondheidsraad. Er kwamen bijna geen aanmeldingen meer binnen; het therapeutische veld leek al veel voorzichtiger te zijn geworden.
In februari 2003 deed de rechtbank in Rotterdam een uitspraak met als strekking dat een dochter onrechtmatig heeft gehandeld door zonder bewijs te hebben bijeengebracht haar vader te beschuldigen haar seksueel te hebben misbruikt.
De rechtbank in Breda stelde in april 2003 de staatssecretaris van Justitie in het ongelijk door onterecht naamsverandering verleend te hebben aan een dochter die haar vader beschuldigd heeft van seksueel misbruik in haar jeugd. Het rapport dat 'het psychisch lijden' van de dochter moest aantonen werd zowel door de beroepsorganisatie van de psychologe die het rapport heeft opgesteld als door de rechtbank ondeugdelijk verklaard. De psychologe werd zelfs door haar eigen beroepsorganisatie in hoger beroep voorwaardelijk geschorst.

In 2003 werd de WFH twee maal uitgenodigd een lezing te houden. In mei op een bijeenkomst van LOGA (Landelijke Ouderorganisatie Gezinsproblematiek Adoptieouders; www.loga.info/) en in november – samen met de COB (Contactgroep Onterechte Beschuldigingen; www.valsbeschuldigd.org) – op een bijeenkomst van SOLK (Stichting Ouders Losgelaten Kinderen; www.losgelatenkinderen.nl). Door de aanwezigen werd de bijdrage van de WFH als zeer positief ervaren.
Tenslotte: in de zomer van dit jaar zijn 4 retractors met de WFH in contact getreden; twee hiervan hebben ook de publiciteit gezocht.

F. Het rapport van de Gezondheidsraad

Na veel vertraging is het rapport van de Commissie, getiteld ‘Omstreden herinneringen’, uiteindelijk op 27 januari 2004 verschenen, 1 ½ jaar later dan aanvankelijk gepland. Het rapport betekent toch een stap vooruit, zoals ook uit onze (aan diverse media verstrekte, en ook op onze website opgenomen) reactie blijkt:

Rapport ‘Omstreden herinneringen’ erkent én draagt oplossingen aan voor de problematiek van de fictieve incestherinneringen

Het rapport van de Gezondheidsraad kan in belangrijke mate bijdragen aan de oplossing van de problematiek waarvoor de WFH zich sinds 1994 heeft ingezet. Het is positief dat:

  1. er nu breed wordt erkend dat fictieve incestherinneringen bestaan, kunnen worden opgewekt tijdens ‘risicovolle’ psychotherapie, vooral bij suggestieve patiënten, en schade toebrengen aan die patiënten en aan de ouders;
  2. een therapeut uit alleen een klinisch beeld van een patiënt geen trauma kan en mag afleiden;
  3. een therapeut als getuige in straf- of civiele zaken geen stellige uitspraken meer mag doen over de betrouwbaarheid van een verklaring van een patiënt;
  4. er richtlijnen voor therapeuten moeten worden opgesteld door de betrokken beroepsverenigingen, óók de alternatieve;
  5. een en ander breed moet worden uitgedragen door de minister van Volksgezondheid, aan wie dit rapport is uitgebracht.

In het rapport wordt niet ingegaan op de vraag, wat kan worden gedaan voor de honderden ex-patiënten, die in de afgelopen 10-15 jaar zijn behandeld aan iets waaraan zij niet leden (nl. het trauma van incest), en voor de enkele onterecht veroordeelde ouders.

Het tot stand komen van dit rapport heeft weliswaar 2 1/2 jaar gevergd, maar het is bewonderenswaardig dat de breed samengestelde commissie tot deze eenstemmige conclusies en aanbevelingen is gekomen.

De WFH zal de interpretatie (door betrokkenen én de media) én de implementatie van dit belangrijke rapport op de voet moeten blijven volgen. De WFH heeft hem inmiddels herinnerd aan de volgende aanbeveling van de Ombudsman (en dan met name aan het tweede deel hiervan): "het ministerie zou initiatieven moeten nemen bij de aanpak van de problematiek inzake de hervonden incestherinneringen én een plan van aanpak moeten maken (en uitvoeren) voor hulp aan personen die onder invloed van enige vorm van psychotherapie tot verdrongen of hervonden incestherinneringen zijn gekomen".

G. Tenslotte

In de eerste dagen na het verschijnen, op 27 januari 2004, van het rapport van de Gezondheidsraad ‘Omstreden herinneringen’ is er veel, en veelal goed, over geschreven. Enkele typeren krantenkoppen:

Maar in enkele ingezonden brieven en ‘tegenartikelen’ klagen psychotherapeuten over de ‘hetze tegen therapeuten’. Zij stellen "herinneringen suggereren heeft nooit tot het vak psychotherapie behoord". Het zouden vooral ‘kwakzalvers’ zijn, die fictieve herinneringen bij patiënten oproepen. Of het zijn de patiënten zelf die schuldig zijn, door bewust onwaarheden te verzinnen "om aandacht te kunnen genereren".

Een regionale Inspectie voor de Gezondheidszorg onderschrijft (vooruitlopend op de officiële reactie van de minister van VWS!), blijkens een brief van 5 februari aan ten onrechte beschuldigde ouders, de conclusies en aanbevelingen uit het rapport "en zal in het kader van het algemeen belang met verschillende partijen in overleg treden om te stimuleren dat richtlijnen worden ontwikkeld hoe omgegaan moet worden met ‘hervonden herinneringen’ en dat opleidingscuricula worden aangepast. De Inspectie zal erop toezien dat hulpverleners zich in de toekomst aan de nieuwe richtlijnen houden."

Zorgelijk blijft het grote alternatieve circuit van psychotherapeuten De gedachte dat psychische trauma’s in het lichaam zijn opgeslagen en dat de patiënt zich daar niet van bewust is, leeft in die kringen nog sterk. Het probleem daarbij is dat deze lieden niet onder een of ander tuchtrecht vallen. Hopelijk kan de minister van VWS op deze groep ook greep krijgen.

Tenslotte: hoe zal het gaan met de ex-patiënten, onze volwassen kinderen?
We hopen dat ze, onder invloed van de publiciteit rond dit rapport van de Gezondheidsraad, ‘wakker worden’ uit hun afschuwelijke trauma-nachtmerrie.

En mogelijk worden er opnieuw banden met de ouders en de rest van de familie aangeknoopt, en wordt de schade die in therapie is aangericht in enige mate hersteld.

Werkgroep Fictieve Herinneringen - 12 februari 2004


<< Terug naar Inleiding WFH