logo
titel

Een kleine fout?

Een donderklap bij heldere hemel

Hoe verschillend alle familiegeschiedenissen ook zijn, ergens ging het psychisch mis met het kind. Of met meer kinderen uit één gezin: nog erger. Soms wisten de ouders daar iets van; soms werden zij helemaal buiten alle problemen gehouden. In 9 van de 10 gevallen kwam de feitelijke incestbeschuldiging voor de ouders - en voor de andere broers en zusters - als een donderklap bij heldere hemel. Enkele voorbeelden:

A. was een leuk kind, maar een beetje stil en teruggetrokken. Net als haar vader was zij geïnteresseerd in kunst; samen bezochten zij vaak musea. Na haar studie kunstgeschiedenis verslechterde de verhouding tussen ouders en A., die intussen bij een vriend was gaan wonen. De ouders kregen het gevoel dat A. zich helemaal aan haar vriend vastklampte en van hem afhankelijk werd.

Na tien jaar kwam die relatie plotseling tot een eind. (De ouders hebben pas veel later begrepen waarom: A. was zwanger geraakt maar door haar vriend gedwongen tot een abortus.) Ze merkten wel, dat het in die tijd veel slechter ging met A., hoewel er weinig contact meer was tussen de ouders en de toen 32-jarige A.

A.'s moeder: 'Toen wij dat jaar thuiskwamen van vakantie, lag er een brief van A. Niets had ons kunnen voorbereiden op wat daarin stond: dat haar vader haar jarenlang seksueel had misbruikt.'

'Ik dacht dat A. gek was geworden', vulde de vader aan. 'De brief was zo'n grote schok voor mij, dat ik een hartaanval kreeg.'

B. wilde als kind altijd haar zin krijgen; dat leidde natuurlijk tot wrijvingen met haar ouders. Zo wou ze als 13/14-jarige met veel oudere meisjes tot laat in de nacht mee gaan stappen. En op 15-jarige leeftijd wilde ze zelfstandig gaan wonen; zij zag daar na vier weken mokken vanaf, toen zij begreep dat haar ouders daaraan financieel niet wensten mee te werken. Tijdens haar studie informatica kreeg B. een vriend. Geleidelijk werd toen de verhouding tussen de ouders en B. beter. Na haar afstuderen vond B. vlot een baan.

In die jaren kwamen de ouders en B. en haar vriend regelmatig bij elkaar op bezoek. Na vijf jaar raakte het echter uit met die vriend. In die voor B. moeilijke periode, werd haar vader haar vertrouwenspersoon.

Dat veranderde geleidelijk, toen B. een nieuwe vriend kreeg en een baan in een ander deel van het land aannam, veel verder weg van haar ouderlijk huis. Na ruim een jaar, waarin de verhouding met hun dochter ups en downs had vertoond, kregen de ouders een brief van B., waarin zij schreef dat zij zich een ongewenst kind voelde, dat door hen liefdeloos was opgevoed. En dat zij met haar ouders wilde breken. Op brieven en telefoontjes van haar ouders om opheldering reageerde B. hierna niet meer. Ook met haar zus verbrak B. alle contacten.

De vader: 'Wij hebben toen lange tijd niets meer van B. gehoord; zelfs niet rond het overlijden van haar opa, waarop ze vroeger zo gesteld was geweest.'

Toen haar vader, als executeur testamentair van opa, aan B. per brief had gevraagd of zij haar deel van de erfenis wilde aanvaarden, kreeg hij een brief van vijf kantjes terug met allerlei afschuwelijke beschuldigingen: incest, groepsverkrachtingen en aanzetten tot prostitutie.

B.'s vader: 'Ik ging helemaal over de rooie. Ik kon mij niet voorstellen dat B. zulke dingen over ons zou zeggen terwijl zij niet waar waren. Onze andere dochter zei verbijsterd: 'B. is gek!'. Mijn vrouw belde woedend meteen met B.'s man. Die zei: 'Jullie hebben alles verdrongen; als jullie eens wisten wat je B. hebt aangedaan, zouden jullie direct zelfmoord plegen.'

C. werd na de geboorte van haar eerste kind - zij was toen 21 jaar en net getrouwd - erg depressief; zij had suïcideneigingen en paranoïde gedachten, bijvoorbeeld dat mensen haar baby wilden vermoorden. De relatie met haar man leed daar natuurlijk onder. Zij werd een paar maanden opgenomen in een psychiatrische kliniek. Later kwam zij onder behandeling van een relatietherapeut. De verhouding tussen C. en haar ouders en haar broers bleef intussen goed. Totdat het tweede kind van C. werd geboren.

De vader: 'Op een dag werd ik met een smoes naar het Maatschappelijk Werk gelokt. In aanwezigheid van mijn vrouw, de man van C. en twee maatschappelijk werkers beschuldigde C. mij daar van het volgende: dat ik een machtswellusteling was; dat ik haar van 3 tot 9 jaar seksueel had misbruikt; dat zij daar veel trauma's van over had gehouden waardoor zij indertijd had moeten worden opgenomen in dat psychiatrische ziekenhuis en al die therapieën had moeten ondergaan. Dat ik haar twee jongste broers die toen 16 en 19 waren dermate bedreigde, dat haar oudste broer van 24 thuis moest blijven wonen om zijn jongere broers te beschermen; en dat mijn vrouw van het seksueel misbruik afwist.

Ik was helemaal kapot door dit verhaal. Ik kon mij niet voorstellen hoe C. mij kon beschuldigen van iets wat ik nooit had gedaan; ik had nooit één vinger naar haar uitgestoken. Thuis heb ik, huilend, mijn zonen gevraagd wat ik verkeerd had gedaan. Zij verzekerden mij, dat C. onzin en leugens aan het vertellen was. Zij woonden graag thuis omdat het zo gezellig was.'

D., een verlegen en aanhankelijk meisje, ging na de HAVO een opleiding volgen in een andere stad, waar zij door de week op kamers was. Na ruim een jaar merkten haar ouders, tijdens de weekends dat ze thuis was, dat het minder goed met haar ging. Ze versomberde en trok zich steeds meer in zichzelf terug. Uiteindelijk brak ze ook haar opleiding af. Toen kwam uit, dat ze wegens depressies al geruime tijd onder behandeling was van een psychiater. Maar wat haar werkelijk mankeerde, kregen haar ouders niet te horen; ook niet tijdens de paar gesprekken die uiteindelijk bij die psychiater waren belegd.

Toen ambulante behandeling na jaren niet langer mogelijk werd geoordeeld, werd D. opgenomen in een psychiatrische jeugdkliniek. Aanvankelijk werd aan de ouders - die erg bezorgd waren over hun beïnvloedbare dochter in deze instabiele omgeving - nog wel het één en ander over de behandeling, maar niet over de diagnose, verteld; zij het in algemene bewoordingen. Na enige tijd werden alle contacten evenwel verbroken; alleen met haar broer bleef D. een oppervlakkig contact onderhouden.

Onverwacht kwam het, na jaren, toch weer tot een hereniging. Maar over 'vroeger' wilde D. niet praten; de ouders accepteerden dat. Het waren, zo hadden zij immers altijd begrepen, vooral D.'s eigen problemen geweest waar zij zelf uit had willen komen.

Even onverwacht verbrak D. na een klein jaar opnieuw, met een nietszeggende brief, alle contact. Een half jaar later werd de vader 's ochtends door de politie van zijn bed gelicht, beschuldigd van seksueel misbruik vanaf haar vroege jeugd.

De vader: 'Natuurlijk wilde ik best uitleggen, wat er de laatste vier-vijf jaar met D. allemaal was voorgevallen op psychische gebied. Ik had een rustig geweten, zodat ik niet bedacht was op drie dagen lang verhoren.'


Volgende >>