logo
titel

Een kleine fout?

Ouders en kinderen

De begrippen 'zorg' en 'bezorgdheid' over hun kinderen komen opvallend veel voor in de, soms uitgebreide, achtergrondgegevens die de ouders aan de werkgroep hebben verstrekt. Wij geven weer enkele voorbeelden:

'We hebben de kinderen vrij streng opgevoed en waren altijd bezorgd. Alle drie de kinderen moesten, als ze tijd en gelegenheid hadden, in ons (zelfstandig) bedrijf meewerken.'

'We zagen haar langzaam veranderen in haar houding tegenover ons. Ze kwam veel minder thuis, had met iedereen ruzie. Haar man wist geen raad met haar en verweet ons dat wij haar teveel hadden verwend. Waarschijnlijk had hij wel gelijk. Zij hoefde nooit bij te springen in het huishouden, omdat zij toch wel moe was als zij van school thuis kwam. En ik had tijd genoeg.

Wij hebben geprobeerd om er achter te komen wat haar moeilijkheden waren. Haar enige antwoord was: "Het ligt niet aan jullie; ik zit alleen niet goed in mijn vel." Wij snapten er niets van. We maakten ons wel zorgen.'

'Toen de kinderen nog klein waren, moest de vader die musicus was, altijd ergens optreden. Later kreeg hij gelukkig een aanstelling als leraar aan een muziekschool; tegelijkertijd begon hij ook met muzieklessen aan huis. Toen kregen we voor het eerst kinderbijslag. Tot dan was het een erg sober leven geweest; nu konden we in de zomervakanties naar Oostenrijk. De kinderen genoten daar enorm van.'

'In het midden van de jaren 50 startten wij een eigen bedrijf. De zaken gingen zeer voorspoedig en ook ons gezin groeide en bloeide. Alle kinderen volgden goede, meest academische, opleidingen. Na ruim 25 jaar trokken we ons uit het bedrijf terug om te gaan 'rentenieren'; geen van de kinderen had zich als opvolger aangediend.

Onze tweede dochter kenden wij als vrolijk, warm en met een no-nonsense karakter. Ze haalde vlot de HBS, rondde haar studie af met mooie cijfers en kreeg daarna direct een leuke baan, die ze op dit moment nog steeds heeft. Vijftien jaar later kwam ze, samen met haar man, op een dag een 'boodschap' brengen: dat ze in therapie eindelijk had ontdekt waarom ze zich als kind altijd zo onzeker en minderwaardig had gevoeld.'

'Ze was tot haar 27ste een leuke, vrolijke meid. Altijd goed gehumeurd, geen puberteitsproblemen. Ze hield veel van haar ouders; onze band liet niets te wensen over. Totdat ze zich, drie jaar geleden, begon terug te trekken. Inmiddels was ze afgestudeerd; maar het zoeken van een baan bleek tot diverse teleurstellingen te leiden. Toen we haar vroegen wat er aan de hand is, reageerde ze aanvankelijk verbaasd; wij verbeeldden ons maar wat, ze was alleen moe.

Geleidelijk werd haar toon evenwel kribbiger en begon ze ons en ook haar broer regelmatig af te katten. Ze kwam steeds minder thuis, ontweek dan onze blikken en ging uit het raam zitten staren. Ze leek wel gehersenspoeld.'

'Onze dochter die nu midden 30 is, lijdt sinds de pubertijd aan een chronische ziekte, waardoor zij haar studie niet heeft kunnen afmaken. Ze werkt parttime; een volledige werkweek kan ze vanwege haar slechte gezondheid niet aan. Haar relatie met een getrouwde man liep onlangs op een grote teleurstelling uit. Toen is ze blijkbaar in therapie gegaan.'

'Onze twee jongste dochters zijn elkaars tegenpolen. N. is van jongs af aan onhandelbaar, zowel op school als thuis. Ze maakte met iedereen ruzie en probeerde mensen tegen elkaar op te zetten. Diverse opleidingen en baantjes liepen op niets uit.

M. daarentegen is erg lief en rustig; ze leeft als het ware in haar eigen wereldje. Bij enge Tv-programma's durfde ze niet te kijken; ze kroop weg achter een stoel. Ze liet zich door haar oudere zus N. volledig overheersen. Pas toen ze - erg jong, vinden we - getrouwd was, vertelde ze daar ze daar vroeger veel onder had geleden.'

'Onze tweede dochter, de middelste van drie kinderen, was vroeger lief en aanhankelijk; maar ze moest wel altijd haar zin hebben. Ze haalde vlot het VWO en de PABO en is daarna direct gaan werken. Na een paar jaar echter, nu zo'n 10 jaar geleden, ging dat mis. Ze had een heel negatief zelfbeeld. Ze bleek toen ook een eetstoornis te hebben; ze was heel mager. Ze ging de dingen en de mensen om haar heen steeds meer zwart-wit zien.

Wie het niet met haar eens is laat ze vallen. Ze heeft nu nog alleen maar negatieve jeugdherinneringen. Ze werd steeds angstiger, durfde 's nachts niet meer alleen te zijn. Ze was bang zichzelf wat aan te doen. Ze leefde in een hel.'

Het beeld dat oprijst uit deze gezinsfragmenten, spoort ons inziens in geen enkel opzicht met de voorstelling die in de literatuur wordt geschetst van 'incestgezinnen':

"Vooral bij vader-dochter incest blijkt er sprake van affectieve verwaarlozing, van een autoritaire en controlerende vader en een moeder die veel ziek, labiel of depressief is." (dr. Bernardine Ensink, RU Maastricht, in MGv 4-94)


Volgende >>