logo
titel

Een kleine fout?

De therapeutische waarheid

Ter inleiding een citaat:

"Er zijn patiŽnten voor wie het van bijzonder belang is dat de therapeut hen expliciet wťl gelooft en bij wie de therapeut hoogstwaarschijnlijk kansloos is wanneer dit niet gebeurt. Dit geldt in het bijzonder voor patiŽnten die seksueel en anderszins misbruikt en mishandeld zijn (...)". (Prof. dr. Onno van der Hart, Un. van Utrecht, en Kees van der Velden, psychotherapeut in Dth, Tijdschrift voor Directive Therapie, 2-5-1995)

Wij hebben oog voor de moeilijkheden waar therapeuten zich voor geplaatst zien. Een behandelaar zal in eerste instanties een verhaal van een patiŽnt dienen te respecteren. Waar echter ernstige strafbare feiten aan de orde komen met grote gevolgen voor patiŽnt ťn aangeklaagde, en zeker ook voor de behandeling, kan niet worden volstaan met de 'therapeutische waarheid', maar moet het verhaal ons inziens op enige manier worden geverifieerd. Zeker als bij het construeren van het verhaal suggestieve (hypnose-)technieken zijn gebruikt.

Wij weten natuurlijk heel goed dat er incest - een verwerpelijk iets - plaats vindt; waarschijnlijk vaker dan vroeger werd gedacht, respectievelijk werd gerapporteerd. Maar wij weten ůůk dat 'wanen' en fantasieŽn, zeker bij psychiatrische patiŽnten, voor komen.
Wij kunnen ons niet voorstellen dat een juiste diagnose bij iemand met psychische problemen niet, net als bij fysieke problemen, belangrijk is. Alleen dan kan immers een goede behandeling volgen. Een zware behandeling gericht op incestherbelevingen bij iemand die dit niet heeft meegemaakt, kan niet anders dan schadelijk zijn. Wij ouders willen dat ons kind - of het nu jong of volwassen is - uiteindelijk goed en effectief wordt geholpen, beter wordt van een therapie. Hoe dat precies gebeurt is minder relevant. Wij willen echter niet de schuld krijgen van iets vreselijks waaraan wij niet schuldig zijn en wij willen onze kinderen niet behandeld zien met angstaanjagende therapieŽn, met ouders als zondebokken.

Het stellen van een psychiatrische diagnose lijkt ons zeker een moeilijke zaak. Een eventueel lichamelijk onderzoek bij een psychisch zieke - vreemd genoeg blijft zoiets vaak achterwege - zou wellicht een deel van de vraagpunten kunnen ophelderen. Mogelijk dat hersenonderzoek, momenteel erg in ontwikkeling, in de (nabije) toekomst hier (deels) uitkomst kan bieden.

In dit verband herinneren wij er aan, dat vroeger (nog niet eens zo lang geleden) ouders, en met name moeders, de schuld kregen van autisme respectievelijk van schizofrenie bij hun kinderen. Ziekten, waarvan nu genoegzaam bekend is dat die voortkomen uit een verstoring in de hersenen.

Nog vreemder dan het achterwege laten van een medisch onderzoek (bijvoorbeeld over eventuele zwangerschappen) achten wij het, dat een psychotherapeut - psychiater, psycholoog of anderszins - zelden andere bronnen raadpleegt dan de patiŽnt die voor hem zit in de behandelkamer.

Andere bronnen: bijvoorbeeld de huisarts van vroeger; broers/zusters; onderwijzers/leraren; vrienden/vriendinnen; eventuele vroegere hulpverleners. Of: de ouders.

Ook in klinisch wetenschappelijk onderzoek wordt meestal volstaan met het naar boven gekomen of naar boven gebrachte (trauma-)verhaal van patiŽnten. Dat wordt als feit geloofd, zelfs al twijfelen de patiŽnten er soms zelf aan. Toch blijkt uit andere wetenschappelijke disciplines, bijvoorbeeld geheugenonderzoek, dat dit soms tot onwaarschijnlijkheden leidt, die om een duidelijke verklaring vragen.
Veel clinici bagatelliseren evenwel de uitkomsten van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek (zoals over de werking van het geheugen): "Als er discrepanties zijn tussen klinische observaties en resultaten van experimenteel onderzoek, dan is het voorbarig de conclusie te trekken dat de klinische observaties wel niet zullen kloppen." (dr. Bernardine Ensink, RU Maastricht, in 'De Psycholoog', april 1994). Zo kan dan een discussie ontstaan tussen verschillende disciplines, die weinig vruchtbaar is als men niet bereid is of het niet nodig vindt de eigen theorieŽn te toetsen.

Het 'geloven' van de therapeutische waarheid houdt in, dat ook controleerbare gegevens niet door de therapeut worden nagetrokken:

"Om traumatische ervaringen vast te stellen, gebruiken we het Gestructureerde Trauma Interview. (...) Dit bestrijkt (jeugd)ervaringen waarvan is aangetoond dat zij een risicofactor vormen voor latere psychopathologie: het duurzaam moeten missen van ťťn of beide ouders voor het twaalfde jaar; emotionele verwaarlozing of ouderlijke dysfunctie als gevolg van ziekte, labiliteit, alcoholisme etcetera van de ouders; fysieke mishandeling; seksueel misbruik; of andere levensbedreigende of schokkende ervaringen. (...) Voor de gegevens die met deze lijst zijn verzameld, is geen externe validatie in de vorm van bevestiging door derden gezocht. Duidelijk is wel uit de follow-up gegevens van de desbetreffende opnameafdelingen dat de validiteit van de gegevens wordt beperkt door de afweer die inherent is aan traumatische ervaringen: de neiging tot ontkenning ervan, tot het vermijden van het onderwerp en tot amnesie erover. In sommige gevallen is niet doorgevraagd om al te grote angst en herbelevingen als gevolg van het interview te voorkomen." (dr. Nel Drayer, VU, in MGv 8-94)

Andere therapeuten gaan nog verder en vinden de waarheid niet belangrijk:

"Als een zwaar getraumatiseerde vrouw na jaren therapie eindelijk stuit op een pijnlijke herinnering, bijvoorbeeld een verkrachting door een familielid op jonge leeftijd, is het ook belangrijk om uit te zoeken of dat ook werkelijk is gebeurd? (...) Het blijkt dat verwerking van een niet-reŽle herinnering net zoveel opluchting kan geven als een reŽle herinnering. In de behandeling van getraumatiseerden wordt dan ook al jaren uitgegaan van de stelling dat het er niet toe doet of het waar is; als het maar helpt." (Yoeke Nagel, psychotherapeute, in Hervormd Nederland, 22-10-1994).

De therapeutische wereld heeft hier een tegenstelling geschapen, aanhakend bij een gevaarlijke stelling, die ook daarbuiten opgeld doet: 'incest is niet bewijsbaar, omdat alles zich in het verborgene afspeelt en omdat het gaat om het woord van de ťťn (het 'slachtoffer') tegenover dat van de ander (de 'dader')'.

Aan deze aanname worden vaak drie andere, even twijfelachtige stellingen, gekoppeld:

Uit het opstapelen van deze stellingen zonder onderzoek te doen naar de waarheid hiervan, worden 'therapeutische waarheden' geboren. Dit is in alle opzichten schadelijk: voor de patiŽnt, voor de ten onrechte beschuldigden, voor de therapeutische stand ťn voor de samenleving in het algemeen.


Volgende >>