Misbruikt door een therapeute
Kitty Hendriks: Mensen krijgen dingen in de schoenen geschoven
die ze helemaal niet hebben gedaan
Huib de Vries, Reformatorisch Dagblad 4 februari 2005
Ze zag de handen van haar vader voor zich, voelde de paniek die het seksuele misbruik in haar vroege jeugd veroorzaakte, droomde van orgieën in een kelder. Totdat ze de schokkende ontdekking deed dat de 'herinneringen' waren verwekt door een suggestieve therapeute.
Als achtjarig meisje vindt Kitty Hendriks de pornografische boekjes van haar vader, een in Duitsland gestationeerd beroepsmilitair. Met haar oudere broer imiteert ze wat ze daarin ziet. Als jonge tiener wordt ze verkracht door de vriend van haar broer, daarna begint het seksuele misbruik door een buurman. Twintig jaar later volgt de verkrachting door de Iraakse vriend van een vriendin. Tussendoor heeft ze losvaste relaties die na verloop van tijd allemaal stranden.
Haar geneigdheid zich te laten misbruiken verklaart de inwoonster van Enschede uit haar jeugd. "Mijn ouders waren jong getrouwd en kregen snel een aantal kinderen, zonder zich daar echt verantwoordelijk voor te voelen. De buurman die me misbruikte, toonde wel aandacht. Daar was ik heel gevoelig voor. Het misbruik nam ik op de koop toe."
Om haar psychische problemen te onderdrukken, grijpt ze naar verdovende middelen. Zonder het gewenste resultaat. Door een zelfmoordpoging leert ze de geestelijke gezondheidszorg kennen, maar de ervaringen daarmee zijn niet bijster positief. De overtuiging dat ze niet goed in staat is haar grenzen te bewaken, brengt haar uiteindelijk bij een alternatieve psychotherapeute. Die weet uit haar lichaamshouding op te maken dat ze door haar vader is misbruikt. Zeer ernstig zelfs. "Terwijl ik me daar niets van kon herinneren."
Aanvankelijk weigert ze de aantijgingen te geloven, maar geleidelijk komen 'verdrongen' beelden boven. Van seksuele orgieën in de kelder van het ouderlijk huis, vuige spelletjes met een hond waartoe ze door een tante wordt gedwongen, geslachtsdelen die in haar mond worden geperst. Beelden die gepaard gaan met heftige reacties, als paniek, zweten en misselijkheid. Tot kokhalzen toe. "Als je zulke reacties bij jezelf waarneemt, ga je denken: 'Dan zal het toch wel zo zijn'."
Twijfel
De therapie, de ene week individueel, de andere week met een groep lotgenoten, neemt haar volledig in beslag. Maatschappelijk zakt ze steeds verder in de modder. Ze verbreekt het contact met ouders en vrienden, verliest haar werk en belandt in de WAO. De therapeute ziet daarin de weeën die zijn verbonden aan het ontdekken van het "innerlijke kind", dat Kitty altijd heeft genegeerd. Om dat de ruimte te geven, moet ze opschrijven wat ze zich van haar jeugd herinnert en tekeningen van haar angstvisioenen maken.
Diep in het hart van de ingekapselde cliënte blijft de twijfel knagen, maar als ze onder druk van de therapeute haar 'herinneringen' met de groep heeft gedeeld, kan ze niet meer terug. Tot een groepsgenote, volgens de therapeute slachtoffer van ritueel misbruik, aangeeft niet langer daarin te geloven. Voor Kitty Hendriks is dat reden om 'Graven in het geheugen, de mythe van de verdrongen herinnering' van de Amerikaanse geheugenpsychologe Elizabeth Loftus ter hand te nemen. In de suggestieve therapietechnieken die Loftus op de korrel neemt, herkent ze de 'behandeling' die ze zelf al tweeënhalf jaar ondergaat.
Klacht
Als tijdens een 'therapeutische reis' naar Kreta de echtgenoot van de therapeute met medeweten van zijn vrouw het bed blijkt te delen met een van de groepsgenoten, is de maat vol. Met twee andere vrouwen stapt Kitty Hendriks uit de groep. Het drietal dient een klacht in bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg, maar die mist de mogelijkheden om op te treden tegen niet-geregistreerde therapeuten. Voor Kitty Hendriks is dat reden om haar ervaringen publiek te maken, op basis van het dagboek dat ze heeft bijgehouden. Eind 2004 publiceert ze 'Vaag verleden - Hoe ik ging geloven in fictieve herinneringen'. Om anderen te waarschuwen en om de bizarre affaire van zich af te schrijven.
Begin 2004 opent ze de website www.traumaversterking.nl. Door haar site komt ze in contact met lotgenoten, die bijval betonen, maar ook met bezoekers die haar volledig afbranden. "Ik zou zelf in de belangstelling willen komen en daders van incest een stok in handen geven."
De inwoonster van Enschede laat ruimte voor de mogelijkheid dat herinneringen worden verdrongen. Maar ze is er tegelijk van overtuigd dat er altijd een lijn naar het geheugen blijft bestaan. "Ik geloof niet in zaken die volgens een therapeut zijn gebeurd terwijl bij de patiënt geen enkel lampje gaat branden. Veel te snel wordt er een verband gelegd tussen afwijkend gedrag en vermeende traumatische ervaringen. Er zijn zelfs therapeuten die beweren dat het niet uitmaakt of iets feitelijk wel of niet is gebeurd. Ook het verwerken van een fictief trauma zou heilzaam zijn. Het trauma staat dan symbool voor andere ervaringen. Daar heb ik grote moeite mee. Je leeft dan met een beeld van jezelf dat niet klopt. En mensen krijgen dingen in de schoenen geschoven die ze helemaal niet hebben gedaan."
Aanwinst
Psychotherapeut drs. Arthur Hegger, staffunctionaris bij Eleos en sinds 1984 betrokken bij de behandeling van incestslachtoffers, beschouwt de publicatie van Kitty Hendriks als een aanwinst. Aanvankelijk gaven de hulpverleners van Eleos, overeenkomstig de toen gangbare opvatting binnen de psychotherapie, slachtoffers van seksueel misbruik alle ruimte om daarover te vertellen. "Vanuit de gedachte dat het herbeleven van het trauma een genezende werking zou hebben. In de loop van de jaren werd duidelijk dat de traumatische herinneringen, die vaak zeer fragmentarisch en diffuus zijn, een sterk emotionele component hebben. Die vaak niet onder woorden kan worden gebracht, maar wel voelbaar is. Vaak werden mensen door het openleggen van het trauma alleen maar ongelukkiger.
Nu is de lijn dat het verwerken van een trauma in een gestructureerde vorm dient plaats te vinden, waarbij voorop staat dat de getraumatiseerde persoon in het hier en nu overeind moet blijven. Als je iemand blindelings uitnodigt zo veel mogelijk over het trauma te vertellen, kun je grote brokken maken. Je moet rekening houden met de context waarin de desbetreffende persoon leeft en dat wat iemand aan kan."
Wanneer de dader of vermeende dader het misbruik ontkent, is het voor een therapeut volgens Hegger vrijwel ondoenlijk om vast te stellen of het feitelijk heeft plaatsgevonden. "Daarvoor zijn we niet opgeleid. Je mist ook het wettelijke kader. Vaststellen van een misdrijf is een zaak van politie en justitie. In het verleden hebben hulpverleners wel geprobeerd om uit het spel van jonge kinderen met poppen af te leiden of ze misbruikt zijn, maar dat leidde tot allerlei beschuldigingen die niet bleken te kloppen."
Vaststaat voor Hegger dat herinneringen verdrongen kunnen worden. Tegelijk deelt hij de visie van Elizabeth Loftus dat herinneringen die in een therapie naar boven komen, niet naar een objectief beleefde werkelijkheid hoeven te verwijzen. "Herinneringen worden gekleurd en vervormd door allerlei interpretaties en aan de herinnering verbonden emoties. Voor de praktijk van de hulpverlening betekent het dat van hulpverleners een zekere distantie mag worden verwacht. Je moet al helemaal geen zaken suggereren. Dat is in ethisch en professioneel opzicht onverantwoord, zeker in een relatie waarin je als deskundige wordt gezien. Dan roep je heel gemakkelijk fictieve herinneringen op."
Een goede therapeut is voor Hegger 'een betrokken observator' die ook in de verslaggeving de nodige afstand bewaart. Dus niet: "Mevrouw is seksueel misbruikt". Zolang de dader niet heeft bekend, moet dat zijn: "Mevrouw zegt dat ze seksueel misbruik heeft meegemaakt". Een patiënte eiste van mij eens dat ik haar verhaal onvoorwaardelijk geloofde. Dat gaat mij te ver. Bovendien versmal je de behandeling dan tot het beoordelen van de waarheidsvraag, terwijl de therapie primair is bedoeld voor het wegnemen of verminderen van klachten."
Professionaliteit
Volgens prof. Harald Merkelbach, hoogleraar experimentele psychologie in Maastricht, moet het verwekken van fictieve herinneringen vooral worden toegeschreven aan hulpverleners uit het alternatieve circuit. Als het aan Kitty Hendriks ligt, maakt de overheid het dan ook onmogelijk dat iedere willekeurige Nederlander zich therapeut kan noemen. Zij bestrijdt echter de opvatting dat professionals zich niet schuldig maken aan het door haar gesignaleerde kwaad. "Van de twaalf herroepers met wie ik in contact ben gekomen, waren er zes in behandeling bij een reguliere psychotherapeut. Dat is dus absoluut geen garantie voor het voorkomen van fictieve herinneringen. De Werkgroep Fictieve Herinneringen heeft dezelfde ervaring opgedaan."
Voor drs. Hegger van Eleos is het duidelijk dat het behandelen van mensen met incestervaringen vraagt om een kader van professionaliteit, waarbinnen intervisie plaatsvindt. "Solisme is op dit gebied zeer riskant. Ook pastorale werkers zouden zich daarvan bewust moeten zijn. Mijn ervaring is dat goedbedoelende counselors vaak veel te intensief op het seksueel misbruik ingaan. De fout die wij in het begin ook maakten. Daardoor kun je enorm veel overhoop halen, waardoor je de schade bij de patiënt alleen maar groter maakt. En mogelijk fictieve herinneringen oproept. Wat dat betreft houdt een boek als dat van mevrouw Hendriks ons een spiegel voor. Natuurlijk kan het worden misbruikt door werkelijke daders van incest, maar het foute gebruik heft het goede gebruik niet op."
"Therapeut moet niet gefixeerd zijn op het trauma"
Het verhaal van Kitty Hendriks bewijst voor prof. dr. Onno van der Hart hoe complex de behandeling van seksueel getraumatiseerde mensen is. Een algemene hulpverlener moet er niet aan beginnen, laat staan een lekentherapeut. "Het is een zeer complexe materie."
In januari 2004 verscheen het rapport 'Omstreden herinneringen', opgesteld door een commissie van de Gezondheidsraad. Daarin werd geconcludeerd dat psychotherapie pseudo-herinneringen kan oproepen. De kans op het ontstaan daarvan neemt volgens het rapport toe bij het gebruik van technieken als hypnose, droominterpretatie en geleide fantasie. Als het aan minister Hoogervorst ligt, worden psychotherapieën voorzien van een 'bijsluiter', waarin op de risico's wordt gewezen.
Therapeuten dienen cliënten bovendien te testen op hun ontvankelijkheid voor suggestie, emotionele distantie te bewaren en terughoudend te zijn met methoden die niet worden gedragen door wetenschappelijk onderzoek.
Het rapport sluit overigens niet uit dat mensen seksueel misbruik op jonge leeftijd kunnen vergeten, en dat de herinnering eraan door behandeling weer naar boven kan komen. Tot grote ergernis van onder anderen de Amsterdamse rechtspsycholoog prof. Peter van Koppen, die een voorwoord schreef in 'Vaag verleden'.
Tegenpool van Van Koppen in de zogenaamde 'Memory war', rond de vraag of traumatische ervaringen uit het geheugen kunnen worden gebannen, is prof. dr. Onno van der Hart, hoogleraar psychopathologie van chronisch traumatisering aan de Universiteit Utrecht. Op basis van de literatuur, onderzoek en het therapeutisch contact met getraumatiseerde personen is Van der Hart ervan overtuigd dat een ernstig psychotrauma vaak geen plaats in het normale autobiografische geheugen krijgt, maar op een ander niveau.
"Een sterk zintuiglijk niveau, waar de impressies van wat tijdens het trauma is gezien, gevoeld en geroken worden opgeslagen. Het trauma blijft op de achtergrond als traumatische herinnering aanwezig, maar de betreffende persoon is zich dat slechts tot op zekere hoogte bewust. Soms zelfs helemaal niet. De herinneringen zijn gedissocieerd, ontkoppeld van het alledaagse autobiografische geheugen. Totdat zich een situatie voordoet die op de een of andere manier lijkt op die tijdens het trauma, en als 'trigger' functioneert. Daardoor komen de traumatische herinnering of fragmenten ervan boven. Zelfs spreek ik daarom niet van verdrongen, maar van uitgestelde herinneringen."
Voorzichtiger
De scherpe tegenstellingen in de 'memory war' verklaart de Utrechtse hoogleraar uit het verschil in werkwijze tussen geheugendeskundigen en traumadeskundigen. De eerste groep baseert z'n visie met name op geheugenonderzoek onder een doorsnee populatie van de bevolking. Traumadeskundigen gaan veel meer uit van dat wat ze tegenkomen in hun klinische praktijk en de literatuur over ernstig getraumatiseerde personen. "Daarbij functioneert het geheugen op een aantal punten anders dan bij niet-getraumatiseerden."
Het rapport 'Omstreden herinneringen' noemt Van der Hart, die zitting had in de commissie van de Gezondheidsraad, "een goed document. Er wordt op het risico van fictieve herinneringen gewezen, terecht, maar het rapport geeft ook aan dat reële herinneringen door krachten binnen en buiten de patiënt kunnen worden ontkend. Die kant had wat mij betreft nog wel wat meer uit de verf mogen komen. Ik denk dat de ontkenning van werkelijk seksueel misbreuk veel vaker voorkomt dan beschuldiging van incest op basis van fictieve herinneringen."
Dat neemt niet weg dat de Utrechtse hoogleraar voorzichtiger is geworden. Pleitte hij er aanvankelijk voor de patiënt op diens woord te geloven, nu adviseert hij, zeker in eerste instantie, een houding van "onbevangen neutraliteit. Naar twee kanten. Denk als therapeut niet te snel dat je het trauma in beeld hebt. Er kan sprake zijn van fictieve herinneringen, maar het seksueel misbruik kan ook veel ernstiger zijn geweest dan de patiënt in eerste instantie aangeeft."
Nachtmerries
Van der Hart erkent dat heftige psychische en fysieke reacties niet per definitie op een werkelijk beleefd trauma hoeven te duiden. "Bekend voorbeeld is een joodse man, geboren in 1947, die nachtmerries had over Auschwitz. Alsof hij de situatie daar zelf herbeleefde. Die herbeleving kwam voort uit wat hij in zijn vroege jeugd door zijn grootvader had horen vertellen. De intensiteit van de herbeleving is dus geen criterium voor het waarheidsgehalte. Wel is het goed om alert te zijn op symptomen die op een psychotrauma kunnen wijzen, zoals zelfbeschadiging, depressie, angst eetproblematiek en verslaving."
Is werkelijk sprake van traumatische ervaringen, dan zal de hulpverlener zich volgens de Utrechtse hoogleraar in eerste instantie moeten richten op stabilisatie en symptoomreductie. "Dat kan als consequentie hebben dat je de getraumatiseerde persoon technieken aanleert waarmee hij of zij de traumatische herinneringen op afstand kan houden. Je moet als therapeut niet gefixeerd zijn op het trauma, maar op de getraumatiseerde. Pas in het vervolg van een behandeling kun je er, in overleg met de patiënt, toe komen de traumatische ervaring te gaan integreren, een plaats te geven in de persoonlijkheid. Het behandelen van deze mensen zou wettelijk voorbehouden moeten zijn aan gespecialiseerde professionals. Het is een zeer complexe materie, waarvoor veel kennis en ervaring vereist zijn."