Argumenten nodig in de herinneringen-oorlog

W.A. Wagenaar, Trouw 5 november 1997

Over de vraag of verdrongen herinneringen nu echt bestaan, wordt geen discussie gevoerd, maar een oorlog. De deelnemers schuwen geen middel om hun gelijk te bevechten, en wetenschappelijke argumenten tellen maar weinig.

Een illustratie van deze betreurenswaardige gang van zaken vormt het artikel van Elisabeth Mooij (Trouw, 18 oktober 1997, pag. 11). Haar stelling dat verdrongen herinneringen echt bestaan wordt niet ondersteund door argumenten, maar door halve waarheden, beroep op emoties en verdachtmakingen.

Voor een goed begrip van de discussie is het nodig om in de gaten te houden wat een verdrongen herinnering is: de herinnering aan een traumatische gebeurtenis die eerst in detail aanwezig is, dan lange tijd niet (vaak tientallen jaren), en dan plotseling weer wel, in alle hevigheid en gedetailleerd. Om te bewijzen dat dit voorkomt moet men drie zaken aantonen:

- de gebeurtenis waarover de herinnering gaat heeft echt plaatsgevonden

- gedurende de 'verdringingsfase' was de herinnering echt onbereikbaar

- de gegevens waarop de herinnering is gebaseerd zijn niet op een andere manier het geheugen binnengesmokkeld.

De tweede 'bewijsopdracht' is de moeilijkste, omdat het eigenlijk logisch onmogelijk is om aan te tonen dat iemand iets is vergeten. Daar hebben we alleen het woord van de betrokkene voor, maar dat is natuurlijk niet voldoende; mensen zeggen zoveel.

De eerste 'bewijsopdracht' is misschien niet altijd moeilijk, maar wel essentieel: mensen herinneren zich ook zulke rariteiten als gebeurtenissen die in de wieg hebben plaatsgevonden, gebeurtenissen van voor de geboorte, gebeurtenissen uit een vorig leven en ontvoeringen door buitenaardse wezens.

De mechanismen die hiervoor verantwoordelijk zijn kunnen ook de herinnering van niet bestaand trauma veroorzaken. Ook de derde bewijsopdracht is cruciaal, bijvoorbeeld omdat het mogelijk blijkt herinneringen te implanteren door middel van suggestie.

Wat zijn nu de antwoorden van Elisabeth Mooij op deze drie problemen? Allereerst noemt ze gevallen van excombattanten en overlevenden van concentratiekampen die herinneringen zijn kwijtgeraakt. Dat argument is misleidend.

Ten eerste omdat die mensen misschien wel details zijn vergeten, maar niet het blote feit dat ze soldaat of concentratiekampbewoner zijn geweest. En zelfs als dit laatste zou voorkomen, hebben we niet meer dan de bewering daarover; maar dat argument is niet nodig, want totaal vergeten komt niet voor (ik heb het natuurlijk niet over een amnesie ten gevolge van een verwonding).

Vervolgens komt Mooij met herinneringen van incestslachtoffers; maar die bevatten nu juist de eerder genoemde problemen. Het duidelijkst kan dit worden gedemonstreerd met het onderzoek van Linda Williams, door Mooij beschreven als een onderzoek onder vrouwen die in de jaren zeventig in de kliniek waren vanwege seksueel misbruik.

In werkelijkheid weten we niet precies waarom die vrouwen in de kliniek waren. Aangezien het om een vermoeden van misbruik ging mag je verwachten dat een deel zich terecht niets herinnert. Daarnaast was een groot deel indertijd onder de drie jaar, dus het is niet zo gek als die nu niet meer weten waarom ze naar het ziekenhuis moesten.

In later onderzoek is gebleken dat veel vrouwen in zo'n situatie maar zeggen zich niets te herinneren, omdat ze vinden dat onderzoeksters daar niets mee te maken hebben. Bij elkaar verklaart dat ruimschoots de 38 procent vrouwen die het misbruik zouden hebben vergeten, om nog maar af te zien van het feit dat Williams niets over hervinden zegt.

Vervolgens zegt Elisabeth Mooij dat je therapeuten maar op hun woord moet geloven omdat het zulke hardwerkende mensen zijn. Dat zal wel waar zijn, maar door dat harde werk worden we ook opgezadeld met de verzameling rariteiten die ik hierboven al heb genoemd. Het meervoudige persoonlijkheidssyndroom, waar mevr. Mooij ook zo hard aan werkt, laat ik maar buiten beschouwing, hoewel ik alleen al om administratieve redenen moeite heb met het concept van duizend of meer persoonlijkheden in één lichaam.

Ten slotte komt Mooij met verdachtmakingen. Zij bekritiseert het werk van Van Koppen en Elizabeth Loftus, omdat zij 'non-believers' zouden zijn. Believer en non-believer zijn echter termen uit de oorlog over verdrongen herinneringen; in een wetenschappelijke discussie horen ze niet thuis. Kennelijk heeft mevr. Mooij niet door dat de bewijsplicht aan haar kant ligt.

Vervolgens noemt ze Loftus een geheugenonderzoekster tussen aanhalingstekens. Kennelijk weet zij niet hoe hoog Loftus' werk in de wetenschappelijke wereld wordt ingeschat. En dan vermeldt zij dat Loftus door de American Psychological Association geschorst zou zijn vanwege haar 'dubieuze optreden in rechtszaken'.

Hier blijkt pas waarmee we te maken hebben: met een combattant in de herinneringen oorlog, die geen middel schuwt en wetenschappelijke argumenten inruilt voor roddel. Elizabeth Loftus is nooit geschorst; ik daag mevr. Mooij uit haar bronnen aan mij te tonen, of zich uit deze discussie terug te trekken.

W.A. Wagenaar
Psycholoog en rector magnificus van de Rijksuniversiteit Leiden

Het artikel waarnaar verwezen wordt:

Verdrongen herinneringen bestaan wel

Elisabeth Mooij, Trouw 18 oktober 1997

Sinds de zaak-Oude Pekela in 1987 is de houding in wetenschappelijke kring tegenover onderwerpen als MPS (meervoudige persoonlijkheids-structuur), ritueel misbruik enzovoort negatiever geworden. De tendens van de publicaties was meestal ongeloof en onbegrip over het bestaan van hervonden herinneringen; vaak kwam men tot de conclusie dat deze niet bestonden. Deze conclusies werden meestal getrokken door experimentele psychologen en andere wetenschappers die weinig of geen klinische ervaring hebben met getraumatiseerde mensen.

Het laatste jaar was er een betrekkelijke media-stilte rondom het fenomeen hervonden herinneringen, maar met het uitkomen van het boekje 'Hervonden misdrijven - Over aangiftes van seksueel geweld na therapie', geschreven door de heer P. van Koppen van het NSCR (Nederlands Studiecentrum criminaliteit en rechtshandhaving) lijkt de aanval weer geopend te zijn. Het boekje moet richtlijnen voor justitie bieden als er aangifte wordt gedaan van een zedendelict door een volwassene die zich het delict pas is gaan herinneren tijdens therapie.

Op de eerste pagina's geeft Van Koppen al aan dat hervonden herinneringen niet bestaan. Wat dat betreft is er niets nieuws onder de zon, Van Koppen is een fervent non-believer op dit vlak. Volgens hem is de recovered memory therapie waarmee hervonden herinneringen aan het daglicht treden, ondeugdelijk. Voor het gemak doet Van Koppen het voorkomen alsof alleen bij therapeuten die die therapievorm gebruiken, patiënten herinneringen hervinden. Als hij zich breder had geïnformeerd was hij ongetwijfeld diverse studies en onderzoeken tegengekomen op het gebied van MPS en dissociatie, door zeer deskundige vakgenoten, waarin andere conclusies worden getrokken. Het is hem blijkbaar ontgaan, dat er intussen genoeg betrouwbaar meetinstrumentarium is ontwikkeld, om niet lichtzinnig de diagnose te stellen.

Een veel gebruikt argument om het bestaan van hervonden herinneringen te ontkennen is, dat mensen met een vergelijkbaar traumatisch verleden last hebben van zogenaamde intrusies: herinneringen die hen niet loslaten. Ons inziens verschilt dat niet veel van de ervaringen van mensen met MPS, die last hebben van flashbacks, steeds terugkerende beelden, zonder te weten waar die beelden vandaan komen.

Overigens is bewezen dat ruim 5 procent van de soldaten die in de Tweede wereldoorlog zwaar onder vuur lagen, absoluut geen herinneringen aan die strijd hadden. Ook een aantal van de slachtoffers van de gruwelen van de concentratiekampen heeft geen of nauwelijks herinneringen aan de afschuwelijke gebeurtenissen. Bij sommigen komen de herinneringen pas na tientallen jaren terug.

Uit divers goed gedocumenteerd onderzoek blijkt dat bij vrouwen die zich aanvankelijk geen incest konden herinneren, vaak seksueel misbruik kon worden aangetoond; bij een speurtocht achteraf kwamen bewijzen boven tafel. Uit een vijftal Amerikaanse en Canadese onderzoeken naar lichamelijk en seksueel misbruik blijkt dat 12 tot 28 procent van de chronisch misbruikten zich niets of nauwelijks iets konden herinneren en eenderde tot tweederde (afhankelijk van het onderzoek en definities) een aantal belangrijke zaken waren vergeten.

Een van de studies betrof een onderzoek onder vrouwen die aan het begin van de jaren zeventig als kind in een kliniek terecht waren gekomen vanwege seksueel misbruik. Zeventien jaar later werd een aantal van hen opgespoord en - onder het mom van een onderzoek naar het functioneren van de desbetreffende kliniek - gevraagd naar het (in dossiers gedocumenteerde) verhaal achter hun opnamen. Ruim eenderde wist er niets meer van.

Van Koppen gaat ervan uit dat therapeuten hun cliënten een traumatisch verleden aanpraten. Als dit het geval zou zijn, zou het succespercentage van de psychotherapie behoorlijk kunnen stijgen. Waarom zou een therapeut erop uit zijn een cliënt seksuele trauma's aan te praten, als we ervan uitgaan dat een therapeut net zo is als ieder ander mens: dat hij of zij liever geen zinloos zwaar werk doet. Therapie met seksueel getraumatiseerden is vaak zwaar en langdurig.

Bij zijn onderzoek heeft Van Koppen gebruikgemaakt van gegevens die hem verstrekt zijn door de Werkgroep fictieve herinneringen, de Nederlandse tegenhanger van de False memory foundation in Amerika, waarvan 'geheugenonderzoekster' Elizabeth Loftus een gerenommeerd lid was. Ook zij is een fervent non-believer, en regelmatig geciteerd in verschillende wetenschappelijke artikelen. Wat echter nooit beschreven wordt is haar dubieuze optreden tijdens rechtszaken, waarvoor zij is geroyeerd als lid van de Amerikaanse vereniging van psychologen.

Het is triest te moeten constateren dat iemand als Van Koppen, die blind lijkt te zijn voor het feit dat er voldoende wetenschappelijke literatuur bestaat die het bestaan van verdrongen herinneringen staaft, die ontkent dat mensen een meervoudige persoonlijkheid kunnen hebben en de betrokkenen en hun therapeuten tussen de regels door van onbetrouwbaarheid beschuldigt - dat juist die zo iemand deskundig wordt geacht om minister Sorgdrager en de justitie richtlijnen te verschaffen.

Op bijna alle onderzoeken naar trauma's en het geheugen valt het een en ander af te dingen, of ze nu stoelen op laboratorium experimenten of op klinische ervaringen. Onderzoek naar seksueel misbruik is hachelijk, omdat het om chronische stiekeme gebeurtenissen gaat, terwijl het meest trauma onderzoek openbare en incidentele gebeurtenissen betreft, zoals gewapende roofovervallen en/of auto ongelukken.

Wat wij graag willen bepleiten is dat men meer respect zou kunnen opbrengen voor slachtoffers van seksueel geweld en voor diegenen die het ernstig met hen menen.

Elisabeth Mooij
De auteur is verbonden aan het Landelijk Steunpunt MPS.