Interview met Richard J. McNally
Harald Merckelbach, Skepter december 2003
Nog in 1998 kreeg het boek Memory, Trauma Treatment, and the Law van de therapeuten Brown en Hammond en de advocaat Scheflin een prijs van de Amerikaanse beroepsvereniging van psychiaters. De auteurs beweerden dat slachtoffers hun trauma's kunnen verdringen en later weer hervinden en dat hypnose daarbij een dankbare rol kan spelen. In dit interview legt Richard McNally uit hoe dit boek hem ertoe bracht zijn eigen boek te schrijven (zie de bespreking in deze Skepter). McNally is hoogleraar psychologie aan de universiteit van Harvard.
Professor McNally, u hebt een reputatie op te houden als onderzoeker op het terrein van de angststoornissen. U schreef talloze artikelen en boeken over de paniekstoornis, de fobieën en de dwangneurose. Waarom besloot u een boek over het controversiële thema van traumatische herinneringen te schrijven?
Ik had al eerder experimenteel psychologisch onderzoek gedaan bij proefpersonen die zeiden ooit in hun jeugd seksueel misbruikt te zijn. Bij dat onderzoek waren ook proefpersonen met hervonden herinneringen betrokken. Samen met mijn promovenda Susan Clancy en mijn collega Dan Schacter was ik dus al volop bezig. Het idee om een boek te schrijven werd mij echter aangedragen door mijn promotor Steve Reiss. Ik had net een boekbespreking van Brown, Scheflin & Hammond's Memory, Trauma Treatment, and the Law geschreven en ik was tegenover Steve aan het klagen over dit boek. Steve zei toen zoiets als: 'Waarom hou je niet op met klagen over hun boek? Schrijf dan toch je eigen boek over trauma en het geheugen.' Ik antwoordde: 'Hé, da's een goed idee.'
Ofschoon mijn boek inderdaad over een controversieel thema gaat, ben ik wel wat gewend. Eerder publiceerde ik over intelligentie en PTSS in de American Joumal of Psychiatry en de Joumal of Consulting and Clinical Psychology en dat leverde mij de meeste hatemail op die ik ooit in ontvangst mocht nemen. Bovendien: voordat mijn boek verscheen had ik al met Susan Clancy and Dan Schacter gepubliceerd over de uitgesproken neiging van mensen met hervonden herinneringen aan seksueel misbruik of ontvoeringen aan buitenaardse wezens om pseudo-herinneringen te ontwikkelen. Ook dat riep nogal wat woedende reacties op van traumatologen (maar niet van experimenteel psychologen natuurlijk).
Met mijn uiterst kritische boekrecensie van Brown c.s. maakte ik trouwens ook geen vrienden onder de traumatologen. Maar geen van hen was in staat om duidelijk te maken waarom ik het in mijn recensie bij het verkeerde eind had. En dan schreef ik nog twee meer historisch getinte artikelen in de Joumal of Anxiety Disorders over de treffende parallellen die er bestaan tussen Franz Mesmers dierlijk magnetisme en de oogbewegingstherapie (EMDR) van Francine Shapiro. Dat leverde twee typen reacties op: extreme boze reacties en zeer instemmende reacties. Ik kreeg voor die historische artikelen meer aanvragen voor overdrukken dan voor alle andere artikelen die ik ooit schreef. Daar was ook een verzoek bij van een oogbewegingstherapeut uit Katmandu, Nepal. Dat zal Francine Shapiro wel bedoelen als ze het heeft over de 'global reach of EMDR'.
In uw boek citeert u de psychiater Otto Kernberg, die gezegd zou hebben dat de epidemie van patiënten met een Meervoudige Persoonlijkheidsstoornis nu echt voorbij is. Betekent dat niet dat u wat laat bent met dit boek?
Kernberg zei dat tijdens een symposium waar ik ook aan deelnam. Hij vertelde dat de stroom van patiënten die zich bij zijn kliniek meldden met de mededeling dat zij een Meervoudige Persoonlijkheidsstoornis hadden plotseling was opgehouden. Patiënten met problemen bleven natuurlijk wel aankloppen, maar zelden met de symptomen van een Meervoudige Persoonlijkheidsstoornis. Mijn eigen indruk is dat de diagnose van de Meervoudige Persoonlijkheidsstoornis inderdaad uit het psychiatrische landschap is verdwenen. Maar de controverses over het geheugen, trauma en PTSS gaan op volle kracht door.
Afgezien van de lovende kritieken die u kreeg van vooraanstaande wetenschappers als Stephen Ceci en Paul McHugh, heeft u ook kritiek moeten incasseren van experts die geloven in hervonden herinneringen?
Ik kreeg tot nog toe slechts twee negatieve recensies, beide afkomstig van experts op het terrein van de Meervoudige Persoonlijkheidsstoornis: de psychiater Frank Putnam publiceerde zijn recensie in een nieuwsbrief die StressPoints heet en de psychiater David Spiegel publiceerde zijn recensie in Nature Medicine. Die recensie van Spiegel was zo warrig en buiten de orde dat de redacteuren van Nature Medicine mij toestonden om in het decembernummer een reactie te geven.
In zijn recensie zegt Spiegel dat u het probleem van Vietnam veteranen die PTSS simuleren wel erg overdrijft.
Mijn belangrijkste punt is dat psychiaters, psychologen en epidemiologen die op dit terrein onderzoek verrichten er goed aan doen om zich de methoden van de historici eigen te maken: zij moeten leren hoe je in archieven de militaire loopbaan die een veteraan claimt te hebben kunt verifiëren. Zolang we die claims niet verifiëren weten we ook niet hoeveel veteranen hun ervaringen in Vietnam overdrijven. Je daarover zorgen maken is vooral gepast als er een financiële premie staat op het overdrijven van ervaringen en symptomen. Traumatologen die dit feit negeren hebben blijkbaar alles vergeten wat zij in hun economielessen ooit te horen kregen.
Ik kan me voorstellen dat in uw land sommige advocaten u een interessante getuige-deskundige zouden vinden. Treedt u wel eens in die hoedanigheid voor de rechtbanken op?
Ik werk zelden minder dan 80 uur per week en heb geen tijd om als getuige-deskundige op te treden. Ik word heel regelmatig gevraagd, maar ik verwijs de advocaten altijd naar collega's die heel competent zijn om dat soort werk te doen en voor wie het deel van hun reguliere werk is.
In hoofdstuk 5 van uw boek beschrijft u het moderne hersenonderzoek naar PTSS. U heeft ook zelf het nodige onderzoek op dat terrein gedaan. Als je dit deel van uw boek leest, krijg je toch de indruk dat de nieuwe neuro-imaging technieken onze kennis nog niet verrijkt hebben en soms zelfs totale verwarring hebben gecreëerd. Is dat een technisch probleem of ontbreekt het ons aan goede theorieën over hoe het geheugen traumatische ervaringen opslaat?
Onze groep heeft een aantal neuro-imaging studies gepubliceerd over patiënten met PTSS. Daarbij zijn de resultaten van onderzoek naar de structurele aspecten van hun hersenen makkelijker te interpreteren dan die van onderzoek naar de functionele aspecten. Een deel van het probleem is inderdaad technisch van aard, maar een ander deel heeft toch te maken met de neiging van sommige traumatologen om reusachtige interpretaties aan bepaalde bevindingen te koppelen. Er zijn patiënten met PTSS die een kleine hippocampus hebben. Traumatische stress tast dus de hippocampus aan, zeiden die traumatologen. Maar zoals mijn collega's Mark Gilbertson en Roger Pitrnan hebben aangetoond, houdt die kleine hippocampus eerder met genetische factoren dan met stress verband.
Uw neutrale schrijfstijl doet me aan die van Karl Popper denken, maar op sommige momenten valt u uit die rol. Wat is het meest krankzinnige idee dat u tegenkwam?
De meest exotische theorieën komen uit de hoek van de mensen die zich bezighielden met de Meervoudige Persoonlijkheidsstoornis. Denk aan de medeauteur van Brown en Scheflin, D. Corydon Hammond die de Dr. Greenbaum-Theorie bedacht. Maar er is ook de christelijke therapeut J.G. Friesen, die vermoedt dat mensen met een Meervoudige Persoonlijkheid echt bezeten zijn door duivels. Als het om fantastische theorieën gaat, kan alleen deze Friesen wedijveren met Hammond.
Op de eerste pagina's van uw boek zegt u dat de logica helemaal niet dicteert dat de waarheid ergens in het midden moet liggen. Waar ligt de waarheid in het geval van hervonden herinneringen?
De meest recente gegevens uit ons onderzoek laten zien dat het zeer wel mogelijk is dat mensen als kind het slachtoffer werden van een niet-gewelddadige vorm van misbruik, er vervolgens jarenlang niet aan dachten, om op een nog later tijdstip er weer wél aan te gaan denken. Dat kan gelden als een echte hervonden herinnering, maar niet als een herinnering die ooit werd verdrongen of gedissocieerd. De mensen die zo'n soort ervaring hebben, vertelden ons dat zij het misbruik destijds als weerzinwekkend, verwarrend en soms beangstigend ervoeren, maar niet als 'traumatisch' in de zin van levensbedreigend. In veel gevallen zag het slachtoffer de dader nooit meer en waren er ook geen andere cues die bij het slachtoffer spontaan herinneringen aan het voorval opriepen. Veel van deze mensen vertelden dat zij er als kind niet aan wilden denken en zij realiseerden zich toen niet dat zij ooit seksueel misbruikt waren. Eenmaal volwassen geworden vonden zij de herinneringen aan dat misbruik wél schokkend. Terugblikkend taxeerden zij hun ervaringen als 'traumatisch'. Maar jarenlang niet denken aan een onplezierige, vervelende ervaring is iets anders dan niet in staat zijn om herinneringen aan zo'n ervaring op te halen. Niet in staat zijn om herinneringen op te halen is het definiërende kenmerk van wat 'amnesie' heet. Maar daarvan is bij de patiënten die wij zagen geen sprake. Gebeurtenissen die op het moment dat zij zich voltrekken echt traumatisch zijn, worden zelden 'vergeten'.
Waar gaat uw volgende boek over?
Ik weet het nog niet precies. Misschien over evolutionaire theorieën in de psychiatrie.
Professor McNally, dank voor dit interview.
Prof. dr. Harald Merckelbach is als hoogleraar psychologie verbonden aan de Universiteit Maastricht.